Centrale Raad van Beroep, 28-03-2001 / 00/198 WW


ECLI:NL:CRVB:2001:AB0944

Inhoudsindicatie
Bij bepaling van lengte van fictieve opzegtermijn bij betrokkene die op 1 januari 1999 ouder is dan 45 jaar, hoeft geen rekening te worden gehouden met art. XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid. Betrokkene, geboren in 1941, was sedert 15 mei 1961 in dienst. Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft de kantonrechter per 1 april 1999 de arbeidsovereenkomst ontbonden onder toekenning van een vergoeding ad fl. 40.481,90 bruto. Het Lisv besloot betrokkene gedurende 1 april 1999 tot 23 september 1999 (in bezwaar gewijzigd in 23 augustus 1999) geen WW- en TW-uitkering te verstrekken omdat hij geacht werd loon te ontvangen. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 7 januari 2000 betrokkenes beroep ongegrond verklaard. De CRvB beantwoordt de vraag of bij het bepalen van de lengte van de fictieve opzegtermijn in het geval van betrokkene, die op 1 januari 1999 ouder dan 45 jaar was, ook rekening moet worden gehouden met art. XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Wet F en Z), anders dan de rechtbank ontkennend. De Raad heeft daarbij overwogen dat blijkens de eerste volzin van art. 16.3 WW de inkomsten, waarop de werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking recht heeft, worden gelijkgesteld aan het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon als bedoeld in het eerste lid, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking zou zijn geëindigd met inachtneming van de rechtens geldende termijn. De wetgever heeft aldus (fictief loon gedurende) een fictieve opzegtermijn in het leven geroepen. De wetgever heeft er niet mee volstaan te verwijzen naar de in geval van opzegging in acht te nemen „rechtens geldende termijn" doch heeft het nodig geacht om nader aan te duiden wat in geval van opzegging onder „de rechtens geldende termijn" dient te worden verstaan. In de derde volzin van genoemde bepaling is een en ander omschreven als „de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen." De Raad stelt vast dat in de bewoordingen van deze nadere aanduiding van de fictieve opzegtermijn, waarin uitsluitend wordt verwezen naar voornoemde (nieuwe) bepaling van het BW, niet valt te lezen dat daaronder tevens moet worden begrepen dat, ingeval de betreffende werknemer op 1 januari 1999 45 jaar of ouder is, voor de bepaling van de in dat geval geldende termijn gedurende welke de werknemer geacht wordt recht te hebben op onverminderde doorbetaling van het loon, tevens toepassing moet worden gegeven aan artikel XXI van de Wet F en Z. Met de tekst van de derde volzin van het derde lid van art. 16 WW is dan ook niet in overeenstemming dat de, tussen werkgever en werknemer op grond van het overgangsrecht van art. XXI van de Wet F en Z geldende, arbeidsrechtelijke opzegtermijn maatgevend is voor de lengte van de in het kader van de bepaling van de eerste werkloosheidsdag ingevolge de WW vast te stellen fictieve opzegtermijn. Waar het hier gaat om de vaststelling van een in de WW gedefinieerde fictieve termijn brengt dit ook anderszins niet noodzakelijkerwijs met zich dat deze termijn gelijk moet zijn aan de volgens het arbeidsrecht tussen werkgever en werknemer geldende opzegtermijn. Ook in het overgangsrecht bij de Wet F en Z is naar het oordeel van de Raad geen steun te vinden voor de door het Lisv voorgestane toepassing van de fictieve termijn van art. 16.3 WW. Het overgangsrecht bij die bepaling is neergelegd in art. XVII Wet F en Z doch heeft geen betrekking op dit aspect. Art. XXI van die wet betreft de tussen werkgever en werknemer geldende arbeidsrechtelijke opzegtermijn en fixeert deze termijn op de termijn zoals die van toepassing was volgens het tussen werkgever en werknemer tot 1 januari 1999 geldende recht, zolang althans de werknemer bij dezelfde werknemer in dienst blijft, waardoor in bepaalde gevallen een uitzondering op het vanaf genoemde datum geldende arbeidsrecht wordt gemaakt. De Raad kan daarin niet lezen dat deze ook van toepassing is op het in geding zijnde onderdeel van de WW, waarin expliciet wordt verwezen naar de vanaf 1 januari 1999 geldende regeling van het BW. De Raad sluit niet uit dat, indien de wetgever in art. 16.3, eerste volzin, van de WW had volstaan met de aanduiding van de fictieve termijn als de in het geval van opzegging in acht te nemen rechtens geldende termijn en derhalve die termijn niet had beperkt op de wijze als thans is geschied in de derde volzin van deze bepaling, de woorden „rechtens geldende termijn" niet zonder meer duidelijk zouden zijn geweest en dat het in dat geval noodzakelijk zou zijn aan de hand van de wetsgeschiedenis de bedoeling van de wetgever te achterhalen. Dienaangaande merkt de Raad nog op dat met betrekking tot de door het Lisv gestelde bedoeling van de wetgever, inhoudende dat ook art. XXI Wet F en Z moet worden betrokken bij de toepassing van art.16.3 WW, zijnerzijds is verwezen naar drie passages uit de wetsgeschiedenis, te weten Tweede Kamer, 25 263, nummer 3, pagina 37 (MvT), TK 25 263, nr. 6, p. 33 (Nota naar aanleiding van het Verslag) en Eerste Kamer, 25 263, nr. 132b, p. 27 (MvA). De Raad kan echter uit de zojuist aangegeven gedeelten van de ontstaansgeschiedenis van art. 16.3 WW niet afleiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat art. XXI Wet F en Z bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn dient te worden betrokken. Ook voor het overige kan de Raad uit de geschiedenis van de totstandkoming van art.16.3 WW die bedoeling niet opmaken. Het heeft er naar het oordeel van de Raad dan ook alle schijn van dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 16.3 WW in het geheel niet aan art. XXI Wet F en Z heeft gedacht. Weliswaar is tijdens een overleg van de Tweede Kamer met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door een Kamerlid aan de orde gesteld dat als voor een werknemer een langere opzegtermijn geldt deze in het kader van de WW misschien in een nadelige positie komt te verkeren, doch ook uit het door de Minister gegeven antwoord blijkt niet of hij van opvatting is of, en zo ja op welke wijze, de overgangsregeling van art. XXI Wet F en Z bij de toepassing van art. 16.3 WW een rol speelt (TK 26 257, nr. 12, p. 7-8 en p. 18). Een en ander leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar in stand heeft gelaten. Het Lisv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Lisv, gedaagde. mrs. M.A. Hoogeveen, Th.C. Sloten, Th.M. Schelfhout
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-03-28
Publicatiedatum
2001-08-02
Zaaknummer
00/198 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

00/198 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[A.], wonende te [B.], appellant (hierna: betrokkene),


en


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde (hierna: het Lisv).



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens betrokkene heeft mr. drs. A.M.J.A. van de Kerkhof, advocaat te Eindhoven, op de in een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond onder dagtekening

7 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Het Lisv heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is, gevoegd met een aantal soortgelijke gedingen, welke evenals het onder-havige vermeld staan op de aan deze uitspraak gehechte bijlage, behandeld ter zitting van de Raad van 14 februari 2001, waar namens betrokkene is verschenen mr. V.F.G. Nowak, advocaat te Eindhoven, en waar het Lisv zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. B. de Pijper, werkzaam bij Gak Nederland bv, en mr. M. Ausems, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V.


Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst en wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.



II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden met ingang van 1 januari 1999.


Betrokkene, geboren op […] in 1941, was sinds 15 mei 1961 werkzaam in dienst van (de rechtsvoorganger van) B.V. X. te [Y.]. Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft de kantonrechter te Eindhoven de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever ingaande 1 april 1999 ontbonden, onder toekenning van een vergoeding ad f 40.481,90 bruto aan betrokkene.


Op een daartoe strekkende aanvraag van betrokkene heeft het Lisv bij besluit van 16 april 1999 besloten dat betrokkene geen recht op uitkering ingevolge de WW en toeslag ingevolge de Toeslagenwet heeft gedurende de periode 1 april 1999 tot 23 september 1999 omdat hij wordt geacht loon te ontvangen.


Bij besluit van 11 juni 1999, genomen op het namens betrokkene ingestelde bezwaar, heeft het Lisv zijn standpunt in zoverre gewijzigd dat betrokkene geacht wordt loon te hebben ontvangen tot 23 augustus 1999.


De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank -samengevat- het volgende overwogen. De wijzigingen die op 1 januari 1999 door de Wet van 14 mei 1998, Stb. 1998, 300, ook wel genoemd de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (hierna: Wet F en Z) in de WW zijn aange-bracht, hebben tot doel voor de toepassing van de WW zoveel mogelijk een gelijke behandeling te creëren van gevallen waarbij de dienstbetrekking door reguliere opzegging eindigt en de overige wijzen van beëindiging, waarbij de rechtens geldende opzegtermijn niet in acht is genomen, maar wel een vergoeding is toegekend. Beoogd is te bereiken dat de WW-uitkering niet eerder ingaat dan op de dag dat de uitkering zou zijn ingegaan bij reguliere opzegging met inachtneming van de rechtens geldende opzegtermijn. De verwijzing van artikel 16, derde lid, van de WW naar artikel 7:672 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ter bepaling van de rechtens geldende opzegtermijn moet, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook zo worden begrepen dat zoveel mogelijk wordt aange-sloten bij de opzegtermijn zoals die arbeidsrechtelijk gezien zou hebben gegolden. Dit betekent dat ook artikel XXI van het overgangsrecht bij de Wet F en Z van toepassing is; deze bepaling is dwingendrechtelijk en zonder uitzondering geformuleerd, zodat daarin niet kan worden gelezen dat dit artikel toepassing zou missen bij de bepaling van de fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW. Niet van belang is dat bij de invoering van artikel XXI wellicht louter is gedacht aan de bescherming van oudere werknemers en dat door de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW het ongunstige effect van een langere fictieve opzegtermijn niet is beoogd, aldus de recht-bank.


Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag op welke wijze de lengte van de fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WW en daarmee de ingangsdatum van de aan betrokkene toekomende WW-uitkering en toeslag ingevolge de Toeslagenwet dient te worden vastgesteld.


Betrokkene is van opvatting dat het Lisv in het kader van de berekening van de fictieve opzegtermijn ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel XXI van de Wet F en Z en dat hij slechts over de periode van 1 april 1999 tot 1 juli 1999 geen WW-uitkering behoort te ontvangen, maar wel vanaf 1 juli 1999.


Het Lisv kan zich met het oordeel van de rechtbank verenigen en is van opvatting dat in een geval als dat van betrokkene bij de vaststelling van bedoelde ingangsdatum mede toepassing moet worden gegeven aan artikel XXI van de Wet F en Z en dat voorts rekening moet worden gehouden met het bepaalde in artikel 7:672, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), ingevolge welk voorschrift in beginsel tegen het einde van de maand wordt opgezegd. Nu echter in het besluit op bezwaar van 11 juni 1999 is verzuimd rekening te houden met de toepassing van laatstgenoemd artikel wil het Lisv niet ten nadele van betrokkene terugkomen van dat besluit.


De Raad overweegt het volgende.


De Raad stelt voorop dat het in het onderhavige geval gaat om de toepassing van (een onderdeel van) artikel 16 van de WW, welke bepaling betrekking heeft op de ontstaansvoorwaarden van het recht op (loongerelateerde en vervolg-) uitkering. In de thans aan de orde zijnde situatie gaat het om het vaststellen, met behulp van een zogeheten fictieve opzegtermijn als bedoeld in het derde lid van genoemd artikel, van de eerste werkloosheidsdag, zijnde de dag met ingang waarvan de betrokken werknemer in beginsel aanspraak kan maken op uitkering. De vaststelling van die dag is in het systeem van de WW van cruciale betekenis. Tevens acht de Raad in dit verband van belang dat de strekking van artikel 16, derde lid, van de WW is dat, in geval de werknemer recht heeft op inkomsten in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, de eerste werkloosheidsdag in beginsel wordt bepaald tegen een later moment dan het geval was onder de WW zoals die tot 1 januari 1999 luidde, zodat dit voorschrift derhalve, vergeleken met het rechtsregime zoals dat tot genoemde datum gold, per saldo

-een enkele casuspositie waarin de betrokkene belang heeft bij verschuiving van de eerste werkloosheidsdag daargelaten- geen bepaling ten gunste van de werknemer is.


Gelet op het voorgaande dient naar het oordeel van de Raad bij de interpretatie van de reikwijdte van het derde lid van artikel 16 van de WW doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de bewoordingen van die bepaling en dient -zoals de Raad in soortgelijke zaken al vaker heeft overwogen- voorbij gegaan te worden aan eventuele niet in de tekst daarvan tot uitdrukking komende bedoelingen van de wetgever. Zulks laat onverlet de mogelijkheid dat de bewoordingen van een voorschrift als het onderhavige zodanige ruimte voor verschillende uitleg laten dat het noodzakelijk is de betekenis nader vast te stellen aan de hand van het systeem van de wet en/of de geschiedenis van de tot-standkoming van de betrokken bepaling, doch ook dan dient voorop te staan dat over de (ten nadele van de werknemer strekkende) bedoelingen van de wetgever geen onduidelijkheid mag bestaan.


Rekening houdend met voormelde uitgangspunten beantwoordt de Raad de vraag of bij het bepalen van de lengte van de fictieve opzegtermijn in het geval van betrokkene, die op 1 januari 1999 ouder dan 45 jaar was, ook rekening moet worden gehouden met artikel XXI van de Wet F en Z, anders dan de rechtbank ontkennend.


De Raad heeft daartoe het volgende overwogen.


Blijkens de eerste volzin van artikel 16, derde lid, van de WW worden de inkomsten waarop de werknemer in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking recht heeft, gelijkgesteld aan het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon als bedoeld in het eerste lid, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking zou zijn geëindigd met inachtneming van de rechtens geldende termijn. De wetgever heeft aldus (fictief loon gedurende) een fictieve opzegtermijn in het leven geroepen.

De wetgever heeft er niet mee volstaan te verwijzen naar de in geval van opzegging in acht te nemen “rechtens geldende termijn” doch heeft het nodig geacht om nader aan te duiden wat in geval van opzegging onder “de rechtens geldende termijn” dient te worden verstaan. In de derde volzin van genoemde bepaling is een en ander omschreven als “de termijn die de werkgever of de werknemer op grond van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek ieder voor zich bij opzegging in acht behoort te nemen.”

De Raad stelt vast dat in de bewoordingen van deze nadere aanduiding van de fictieve opzegtermijn, waarin uitsluitend wordt verwezen naar voornoemde (nieuwe) bepaling van het BW, niet valt te lezen dat daaronder tevens moet worden begrepen dat, ingeval de betreffende werknemer op 1 januari 1999 45 jaar of ouder is, voor de bepaling van de in dat geval geldende termijn gedurende welke de werknemer geacht wordt recht te hebben op onverminderde doorbetaling van het loon, tevens toepassing moet worden gegeven aan artikel XXI van de Wet F en Z. Met de tekst van de derde volzin van het derde lid van artikel 16 van de WW is dan ook niet in overeenstemming dat de, tussen werkgever en werknemer op grond van het overgangsrecht van artikel XXI van de Wet F en Z geldende, arbeidsrechtelijke opzegtermijn maatgevend is voor de lengte van de in het kader van de bepaling van de eerste werkloosheidsdag ingevolge de WW vast te stellen fictieve opzegtermijn. Waar het hier gaat om de vaststelling van een in de WW gedefinieerde fictieve termijn brengt dit ook anderszins niet noodzakelijkerwijs met zich dat deze termijn gelijk moet zijn aan de volgens het arbeidsrecht tussen werkgever en werknemer geldende opzegtermijn.


Ook in het overgangsrecht bij de Wet F en Z is naar het oordeel van de Raad geen steun te vinden voor de door het Lisv voorgestane toepassing van de fictieve termijn van artikel 16, derde lid, van de WW. Het overgangsrecht bij die bepaling is neergelegd in artikel XVII van de Wet F en Z doch heeft geen betrekking op dit aspect. Artikel XXI van die wet betreft de tussen werkgever en werknemer geldende arbeidsrechtelijke opzegtermijn en fixeert deze termijn op de termijn zoals die van toepassing was volgens het tussen werkgever en werknemer tot 1 januari 1999 geldende recht, zolang althans de werknemer bij dezelfde werknemer in dienst blijft, waardoor in bepaalde gevallen een uitzondering op het vanaf genoemde datum geldende arbeidsrecht wordt gemaakt. De Raad kan daarin niet lezen dat deze ook van toepassing is op het in geding zijnde onderdeel van de WW, waarin expliciet wordt verwezen naar de vanaf 1 januari 1999 geldende regeling van het BW.


De Raad sluit niet uit dat, indien de wetgever in artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de WW had volstaan met de aanduiding van de fictieve termijn als de in het geval van op-zegging in acht te nemen rechtens geldende termijn en derhalve die termijn niet had beperkt op de wijze als thans is geschied in de derde volzin van deze bepaling, de woorden “rechtens geldende termijn” niet zonder meer duidelijk zouden zijn geweest en dat het in dat geval noodzakelijk zou zijn aan de hand van de wetsgeschiedenis de bedoeling van de wetgever te achterhalen. Dienaangaande merkt de Raad nog het volgende op.


Met betrekking tot de door het Lisv gestelde bedoeling van de wetgever, inhoudende dat ook artikel XXI van de Wet F en Z moet worden betrokken bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW, is zijnerzijds verwezen naar drie passages uit de wetsgeschiedenis, te weten Tweede Kamer, 25 263, nummer 3, pagina 37 (de Memorie van Toelichting), Tweede Kamer, 25 263, nummer 6, pagina 33 (Nota naar aanleiding van het Verslag) en Eerste Kamer, 25 263, nummer 132b, pagina 27 (Memorie van Antwoord). De Raad kan echter uit de zojuist aangegeven gedeelten van de ontstaansgeschiedenis van artikel 16, derde lid, van de WW niet afleiden dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat artikel XXI van de Wet F en Z bij de vaststelling van de fictieve opzegtermijn dient te worden betrokken. Ook voor het overige kan de Raad uit de geschiedenis van de totstand-koming van artikel 16, derde lid, van de WW die bedoeling niet opmaken. Het heeft er naar het oordeel van de Raad dan ook alle schijn van dat de wetgever bij de totstandkoming van artikel 16, derde lid, van de WW in het geheel niet aan artikel XXI van de Wet F en Z heeft gedacht. Weliswaar is tijdens een overleg van de Tweede Kamer met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door een Kamerlid aan de orde gesteld dat als voor een werknemer een langere opzegtermijn geldt deze in het kader van de WW misschien in een nadelige positie komt te verkeren, doch ook uit het door de Minister gegeven antwoord blijkt niet of hij van opvatting is of, en zo ja op welke wijze, de overgangsregeling van artikel XXI van de Wet F en Z bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW een rol speelt (Tweede Kamer, 26 257, nummer 12, pagina 7-8 en pagina 18).


Een en ander leidt tot de conclusie dat de rechtbank ten onrechte het besluit op bezwaar in stand heeft gelaten. Het Lisv zal een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.


De Raad acht termen aanwezig om het Lisv met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden met toepassing van de gewichtsfactor 1,5 begroot op f 2.130,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en eenzelfde bedrag in hoger beroep. Het door het Lisv te vergoeden bedrag dient derhalve te worden vastgesteld op in totaal f 4.260,--.


Derhalve moet als volgt worden beslist.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;

Verstaat dat het Lisv een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspaak van de Raad is overwogen;

Veroordeelt het Lisv in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot f 4.260,--;

Bepaalt dat het Lisv aan betrokkene het betaalde griffierecht van in totaal f 230,-- vergoedt.


Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter, mr. Th.C. van Sloten en

mr. Th.M. Schelfhout als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2001.




(get.) M.A. Hoogeveen




(get.) I. de Hartog



Bijlage bij de uitspraken inzake de gedingen tussen betrokkenen en het Lisv met betrekking tot de zogenoemde fictieve opzegtermijn als bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet:



Zaaknummers: Namen en woonplaatsen betrokkenen:



00/634 WW [C.] te [D.]



00/2520 WW [E.] te [F.]



00/198 WW [A.] te [B.]



00/1824 WW [G.] te [H.]

00/2715 WW



00/1830 WW [I.] te [J.]

00/2716 WW



00/1827 WW [K.] te [L]

00/2713 WW



00/1828 WW [M.] te [N.]

00/2714 WW



00/1542 WW [O] te [P.]



00/2924 WW [Q.] te [R.]