Centrale Raad van Beroep, 18-04-2001 / 00/3406 WW


ECLI:NL:CRVB:2001:AB1726

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-04-18
Publicatiedatum
2005-11-03
Zaaknummer
00/3406 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2001, 154
  • USZ 2001/128
Uitspraak

00/3406 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:



[A.], wonende te [B.], appellant,


en


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING



Namens appellant is mr. H.B.T. Koekkoek, werkzaam bij de Hout- en Bouwbond CNV te Drachten, bij brief van 30 juni 2000 -met bijlagen- in hoger beroep gekomen van de door de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen op 7 juni 2000 onder toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tussen partijen gegeven uitspraak.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 28 november 2000 heeft mr. Koekkoek gereageerd op het ingediende verweerschrift.


Gedaagde heeft bij brief van 23 februari 2001 een reactie gegeven op het verzoek van

’s Raads fungerend voorzitter bij brief van 20 februari 2001.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 maart 2001, waar appellant, hoewel ambtshalve opgeroepen in persoon te verschijnen, niet is verschenen, maar zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. Koekkoek, voornoemd, en waar voor gedaagde is verschenen mr. Th. Martens, werkzaam bij Gak Nederland B.V.


II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde hier van belang.


Appellant is, hoewel daartoe ambtshalve opgeroepen, zonder deugdelijke grond niet in persoon ter zitting van de Raad verschenen. De Raad acht zich evenwel aan de hand van de gedingstukken en de door appellants gemachtigde ter zitting van de Raad verstrekte informatie voldoende voorgelicht om tot een verantwoorde inhoudelijke beoordeling te komen.


Appellant, geboren in 1935, is van 3 mei 1965 tot 1 april 1997 in dienstbetrekking werkzaam geweest bij het Recreatiepark [X]. Aansluitend hieraan zijn aan appellant maandelijks betalingen gedaan ter hoogte van 100% van zijn salaris en vanaf 1 januari 1998 is 80% doorbetaald. Betaling na 1 juli 1998 is uitge-bleven. Blijkens het besluit van 18 februari 1999 heeft gedaagde op grond van Hoofdstuk IV van de WW diverse vorderingen van appellant over de periode van 1 juli 1998 tot en met 10 november 1998 overgenomen. In aansluiting daarop is appellant bij besluit van

25 maart 1999 een loongerelateerde WW-uitkering toegekend tot de maand waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.


Bij brief van 16 februari 2000 heeft gedaagde appellant ervan in kennis gesteld dat hij terzake van zijn per 11 november 1998 ingetreden werkloosheid (alsnog) geen recht heeft op WW-uitkering op de grond dat appellant, nu hij in het tijdvak van 39 weken voorafgaande aan 11 november 1998 in geen enkele week heeft gewerkt, niet voldoet aan de referte-eis; de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 11 november 1998 tot en met 16 januari 2000 wordt niet van appellant teruggevorderd.


Bij het op bezwaar gegeven besluit van 19 mei 2000, het bestreden besluit, heeft gedaagde het besluit van 16 februari 2000 in zoverre herzien dat de ingangsdatum van de herziening van de uitkering is gesteld op 9 april 2000. Zonder dat dit overigens gevolgen heeft voor het niet voldoen aan de referte-eis, wordt in het bestreden besluit uitgegaan van 1 juli 1998 als eerste werkloosheidsdag.


Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank -voor zover hier van belang- het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven; voorts zijn beslissingen gegeven omtrent proceskosten en het griffierecht. De president van de rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellant op 1 april 1997 het werknemerschap heeft verloren, gedaagde heeft derhalve appellant terecht WW-uitkering ontzegd, doch op een onjuiste grond.


Van de zijde van appellant is in hoger beroep aangevoerd dat appellant vanaf 1 april 1997 door zijn werkgever op basis van mondelinge afspraken is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, maar dat de dienstbetrekking onveranderd in stand is gebleven. Derhalve dienen deze weken, waarvoor appellant zonder te werken loon heeft ontvangen, ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit van de Sociale Verzekeringsraad van 18 december 1986, Stcrt. 1986, 248, zoals sedertdien gewijzigd, worden gelijkgesteld met gewerkte weken, zodat hij wel aan de referte-eis voldoet en mitsdien recht heeft op uitkering ingevolge de WW. Voorts is aangevoerd dat appellant op 1 april 1997 de hoedanigheid van werknemer niet heeft verloren omdat zijn dienstbetrekking niet is beëindigd en, zo daarvan wel sprake was, hij die hoedanigheid ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WW heeft behouden, aangezien appellant vanaf 1 april 1997 geen werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd.


Gedaagde is van opvatting dat appellant vanaf 1 april 1997 geen loon heeft ontvangen, maar een uitkering gebaseerd op afspraken met de toenmalige werkgever welke zijn aan te merken als een met een VUT-regeling vergelijkbare regeling. Deze VUT-uitkering kan niet worden aangemerkt als loon. Volgens gedaagde is vanaf 1 april 1997 evenmin sprake van een gezagsverhouding waardoor wezenlijke elementen van een arbeidsovereenkomst ontbreken. Gedaagde is van mening dat de dienstbetrekking van appellant per 1 april 1997 is geëindigd. Met de gemachtigde van appellant is gedaagde van mening dat appellant ingevolge artikel 8, eerste lid, van de WW per 1 april 1997 zijn hoedanigheid van werknemer niet heeft verloren.


Anders dan de president van de rechtbank is de Raad met partijen van oordeel dat appellant op en na 1 april 1997 de hoedanigheid van werknemer heeft behouden, aangezien hij geen werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij op grond van de WW niet als werknemer wordt beschouwd. Gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad zijn partijen het erover eens, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat de werkloosheid van appellant op 11 november 1998 is ingetreden. In geding is de vraag of appellant aan de referte-eis van artikel 17, aanhef en onder a, van de WW voldoet. Het geding spitst zich meer in het bijzonder toe op de vraag of de door appellant ontvangen bedragen in de weken voorafgaande aan 1 juli 1998, die gelegen zijn in de onderhavige referteperiode, als betalingen ten titel van loon moeten worden aangemerkt.


Appellant is vanaf 3 mei 1965 op basis van een mondelinge arbeidsovereenkomst werkzaam geweest in dienst van Recreatiepark [X]. Uit de gedingstukken, noch uit het verhandelde ter zitting, is de Raad gebleken dat die arbeidsovereenkomst door opzegging of in onderling overleg tussen appellant en zijn werkgever op of omstreeks 1 april 1997 is geëindigd. Derhalve is de vraag of appellant en zijn werkgever deze overeenkomst hebben vervangen door een andere rechtsverhouding, die de kwalificatie van arbeidsovereenkomst niet kan dragen. In verband met de bescherming die de wet de werknemer beoogt te bieden, kan dat niet te spoedig worden aangenomen, zoals overwogen door Advocaat-Generaal mr. Ten Kate en onderschreven door de Hoge Raad in het arrest van 5 november 1982, NJ 1983/231. Naar het oordeel van de Raad bestaan onvoldoende aanwijzingen dat een dergelijke vervanging heeft plaatsgevonden. In dit verband wijst de Raad erop dat blijkens een tot de gedingstukken behorende salarisafrekening over de maand juni 1998 de werkgever betaling heeft verricht ten titel van salaris. Nadat de werkgever in gebreke is gebleven aan zijn verplichtingen jegens appellant te voldoen, is de werkgever aanvankelijk verzocht en nadien gesommeerd vanaf 1 juli 1998 het loon door te betalen. Bij verstekvonnis van 26 november 1998 heeft de kantonrechter te Meppel de werkgever daartoe veroordeeld met de wettelijke verhoging ingevolge artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek. De uitlatingen van de werkgever wijzen niet eenduidig in de richting dat een andere rechtsverhouding tot stand is gekomen. Tussen appellant en zijn werkgever gelden die achterstallige betalingen dan ook als betalingen ten titel van loon. In de brief van de werkgever van 13 januari 1998, blijkens de aanhef betreffende de VUT, is appellant met verwijzing naar het arbeidscontract meegedeeld dat het salaris per 1 januari 1998 wordt verminderd en dat afspraken met betrekking tot de VUT niet zijn te verwezenlijken. Volgens de gemachtigde van appellant sluiten de door appellant en zijn werkgever gemaakte afspraken niet geheel uit dat appellant onder zeer bijzondere omstandigheden opgeroepen had kunnen worden ten einde arbeid te verrichten, waaraan hij, volgens zijn gemachtigde, zonder meer gehoor zou hebben gegeven. Voorts merkt de Raad nog op dat een VUT-regeling in zijn algemeenheid door een externe organisatie wordt uitgevoerd en de financiering daarvan extern is geregeld of door een verzekering wordt gedekt hetgeen hier niet het geval was.


De Raad is derhalve van oordeel dat de relevante weken voorafgaande aan 1 juli 1998 moeten worden aangemerkt als weken, waarover appellant zonder te werken loon heeft ontvangen. De weken waarin appellant in de periode 1 juli 1998 tot 11 november 1998 uitkering ingevolge Hoofdstuk IV van de WW heeft ontvangen zijn eveneens met gewerkte weken gelijkgestelde weken. Derhalve voldoet appellant aan de referte-eis en heeft hij vanaf 11 november 1998 recht op uitkering ingevolge Hoofdstuk II van de WW.


De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand. Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.


Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand worden gelaten;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak van de Raad;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van f 1.420,--;

Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 170,-- vergoedt.


Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en

mr. H.Th. van der Meer als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2001.



(get.) Th.C. van Sloten.




(get.) P. Boer.





IS