Centrale Raad van Beroep, 18-04-2001 / 99/782 WW, 99/4661 WW


ECLI:NL:CRVB:2001:AB1727

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-04-18
Publicatiedatum
2001-07-19
Zaaknummer
99/782 WW, 99/4661 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2001, 153
  • JB 2001/120
  • USZ 2001/127
Uitspraak

99/782 WW

99/4661 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,


en


[A.], wonende te [B.], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Grafische Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 4 januari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het op bezwaar gegeven besluit van 29 januari 1997 (besluit I) gegrond is verklaard en dat besluit is vernietigd met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten.


Namens gedaagde heeft mr. G.S. Harm, werkzaam bij de Stichting Centraal Beheer Rechtsbijstand te Apeldoorn, een verweerschrift ingediend.


Op 6 augustus 1999 heeft appellant naar aanleiding van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen (besluit II), waarin gedeeltelijk aan de bezwaren van gedaagde tegemoet is gekomen. Namens gedaagde heeft mr. Harm, voornoemd, op dat besluit gereageerd.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 maart 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L. Bosma, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde -met voorafgaand bericht- niet is verschenen.



II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden, welke hij, gelet op de inhoud van de gedingstukken, als vaststaand aanneemt.


Gedaagde is vanaf 1 oktober 1985 werkzaam geweest als nachtchauffeur in dienst van [X.] B.V. Daarnaast werkte gedaagde vanaf augustus 1995 op afroepbasis bij [Y] Groep te [Z.] als buschauffeur. Voorts was hij vanaf september 1994 werkzaam als zelfstandig reclame/sleepvlieger. Gedaagde is op 23 juli 1996 werkloos geworden uit zijn dienstbetrekking bij [X.], na ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst bij beschikking van de kantonrechter. Als bijlage bij het besluit tot toekenning van WW-uitkering per die datum is meegedeeld dat gedaagde gedurende

6,25 uur per week voor [Y] en gedurende 0,23 uur als zelfstandige werkzaam mag blijven zonder dat dit tot consequenties voor zijn recht op uitkering leidt.


Het tegen die zogeheten vaststelling van vrij te laten (ofwel niet aftrekbare) uren door gedaagde gemaakte bezwaar is door appellant, na te hebben overwogen dat het om een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat, bij besluit I ongegrond verklaard. Appellant heeft daartoe overwogen dat de vastgestelde vrijlating van uren is gebaseerd op de ingevolge artikel 16, tweede lid van de WW, gemaakte berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag. Appellant acht het daarbij niet mogelijk om een uitzondering te maken op die referteperiode, aangezien volgens hem de in artikel 4b van het Besluit van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad van 18 december 1986 (gepubliceerd in Stcrt. 1986, 248 en nader te noemen de Regeling gelijkstelling arbeidsuren), geopende mogelijkheid om bij wisselende arbeidspatronen een langere periode in aanmerking te nemen op het onderhavige geval niet is toe te passen, daar deze mogelijkheid alleen betrekking zou hebben op de uren die zijn gewerkt in de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid primair is ontstaan.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit vernietigd omdat naar haar oordeel artikel 4b van de Regeling gelijkstelling arbeidsuren tevens werking toekomt als sprake is van beëindiging van het recht op uitkering op grond van artikel 20 van de WW. Daaruit vloeit volgens de rechtbank voort dat de vaststelling van het vrij te laten aantal uren, gelet op de relatie die deze uren hebben met de beëindiging van het recht op uitkering, in een geval als het onderwerpelijke dient te geschieden aan de hand van genoemd artikel 4b.


Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank dat artikel 4b van de Regeling gelijkstelling arbeidsuren ook van toepassing is in het kader van de beëindiging van de uitkering op basis van artikel 20 van de WW. In de visie van appellant is de Regeling gelijkstelling arbeidsuren enkel een nadere invulling van het in artikel 16 van de WW opgenomen vereiste van arbeids-urenverlies als één van de ontstaansvoorwaarden van het recht op uitkering. Appellant heeft daarbij beklemtoond dat er in het kader van artikel 20 van de WW niet voor gekozen is om een met voormeld artikel 4b vergelijkbare bepaling in het leven te roepen. In verband daarmee is appellant van mening gebleven dat voor de door gedaagde als zelfstandige gewerkte uren geen verlenging van de referteperiode kan plaatsvinden.


Appellant is evenwel nader tot het inzicht gekomen dat artikel 4b van de Regeling gelijkstelling arbeidsuren niet alleen betrekking heeft op de uren die zijn gewerkt in de dienstbetrekking waaruit arbeidsuren zijn verloren, maar ook op andere als werknemer gewerkte uren en derhalve ook op de vaststelling van de vrij te laten uren op grond van de werkzaamheden voor [Y]. Appellant heeft daarom bij besluit II alsnog toepassing gegeven aan die bepaling aldus dat de referteperiode is verlengd tot 52 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag, resulterend in een nadere vaststelling van 8,12 vrij te laten uren per week.


De Raad oordeelt als volgt.


De Raad constateert allereerst dat besluit II, waarbij appellant hangende de procedure deels tegemoet is gekomen aan de bezwaren van gedaagde, in de lijn van het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in het kader van het aanhangige hoger beroep beoordeeld dient te worden.


Voorts merkt de Raad op dat hij zich ermee verenigt dat appellant de vaststelling van de

-ten aanzien van de na het intreden van de werkloosheid doorlopende werkzaamheden- vrij te laten uren heeft aangemerkt als te zijn gericht op rechtsgevolg. Die vaststelling is dan ook terecht gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.


Ter inhoudelijke beoordeling van de Raad staat thans:

a. of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op de door gedaagde als zelfstandige gewerkte uren niet het bepaalde in artikel 4b van de Regeling gelijkstelling arbeidsuren van toepassing kan worden gebracht,"

b. of appellant ten aanzien van de bij [Y] gewerkte uren een juiste toepassing

heeft gegeven aan die bepaling.

Wat betreft de onder a geformuleerde rechtsvraag verenigt de Raad zich met het door appellant in hoger beroep ingenomen standpunt dienaangaande. Met appellant, en anders dan de rechtbank, is de Raad van oordeel dat artikel 4b van de Regeling gelijkstelling arbeidsuren geen gelding heeft in het kader van de toepassing van artikel 20 van de WW. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen dat appellant in hoger beroep het volgende heeft betoogd:


“De werkzaamheden als zelfstandige die gedaagde voorafgaand aan het arbeidsurenverlies heeft verricht hebben geen invloed op de hoogte van het gemiddeld aantal arbeidsuren als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW. Gelet op het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder a van de WW leidt het verrichten van arbeid als zelfstandige wel tot eindiging van het recht op uitkering, ongeacht of de werknemer die werkzaamheden voorafgaand aan het arbeidsurenverlies al verrichtte. Omdat een strikte toepassing van deze bepalingen tot een onredelijke uitkomst zou leiden, hanteert ondergetekende het (buitenwettelijke) beleid het gemiddeld aantal uren in zelfstandige arbeid over de 26 weken onmiddellijk voorafgaand aan het arbeidsurenverlies aan te wijzen als vrij te laten uren. (…) Het beleid van ondergetekende vormt een versoepeling ten opzichte van een strikte wetstoepassing. Als de rechtbank nu echter oordeelt dat onder-getekende ook met betrekking tot de werkzaamheden als zelfstandige op grond van artikel 4b van de Regeling een andere referteperiode dan de bedoelde 26 weken moet gaan toepassen gaat dat, in de ogen van ondergetekende, te ver.”


De Raad stemt met dat betoog in. Hij tekent daarbij nog aan dat hij al in verschillende uitspraken te kennen heeft gegeven dat hij het vermelde, ook in casu toegepaste, buitenwettelijke beleid rechtens niet onaanvaardbaar acht, waartoe hij in het bijzonder heeft doen wegen dat het daarbij gehanteerde uitgangspunt in overeenstemming is met het systeem van de artikelen 16 en 20 van de WW. Die laatste omstandigheid brengt evenwel niet met zich dat appellant eveneens gehouden zou zijn om zonder meer analoge toepassing te geven aan verfijningen van dat systeem zoals artikel 4b van de Regeling gelijkstelling arbeidsuren. Ook anderszins ziet de Raad geen grond om in dit geval zodanige gehoudenheid aanwezig te achten.


Wat betreft de onder b omschreven rechtsvraag betreffende de toepassing van meergenoemd artikel 4b ten aanzien van de voor [Y] gewerkte uren, stelt de Raad vast dat appellant daarbij de referteperiode heeft verlengd tot het maximale aantal van 52 weken, zonder evenwel rekening te houden met het feit dat de desbetreffende werkzaamheden pas zijn begonnen op 21 augustus 1995, derhalve korter dan 52 weken voor de eerste werkloosheidsdag. Van de kant van appellant is dienaangaande ter zitting van de Raad opgemerkt dat daarom slechts de periode vanaf laatstgenoemde datum voor de berekening van de vrij te laten uren in aanmerking had dienen te worden genomen. Een en ander leidt tot een hoger aantal vrij te laten uren. Die zienswijze acht de Raad juist.


Het vorenoverwogene leidt tot de gevolgtrekking dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd inzoverre daarbij besluit I, voor zover betrekking hebbende op gedaagdes werkzaamheden als zelfstandige, is vernietigd. Voorts moet het beroep dat geacht wordt te zijn gericht tegen besluit II gegrond worden verklaard, als gevolg waarvan appellant een nieuw besluit zal dienen te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene.


De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 710,-- wegens kosten van rechtsbijstand.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak inzoverre daarbij besluit I, voor zover betrekking hebbende op de door gedaagde als zelfstandige gewerkte uren, is vernietigd;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep gericht tegen besluit II gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van het in deze uitspraak van de Raad overwogene;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot f 710,--.


Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en

mr. H.Th. van der Meer als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2001.




(get.) Th.C. van Sloten.




(get.) P. Boer


IS