Centrale Raad van Beroep, 24-04-2001 / 99/1460 NABW


ECLI:NL:CRVB:2001:AB2485

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-04-24
Publicatiedatum
2001-08-02
Zaaknummer
99/1460 NABW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JABW 2001, 88
Uitspraak

99/1460 NABW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[A.], wonende te [B.], appellant,


en


de Commissie Bezwaren S.W. van de gemeente Gemert-Bakel, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de Arrondissementsrechtbank te ’'s-Hertogenbosch op 23 februari 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Nadien heeft appellant zich diverse malen met brieven tot de Raad gewend en nog stukken aan de Raad doen toekomen.


Gedaagde heeft zich bij schrijven van 1 februari 2000 tot de Raad gewend.


Het geding is behandeld ter zitting van 13 maart 2001, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door A.W. van Zutphen.



II. MOTIVERING


Bij besluit van 20 november 1996 is de uitkering welke appellant ontving ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), berekend naar de norm voor een alleenstaande, na herbeoordeling met ingang van 1 december 1996 omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Daarbij is appellant op grond van indeling in de zogenoemde fase 4 (D-categorie) met toepassing van artikel 107 van de Abw ontheven van de verplichtingen neergelegd in in het bijzonder artikel 113 van de Abw om redenen van medische, sociale of andere aard.


Na door appellant tegen deze ontheffing gemaakt bezwaar is het besluit van 20 november 1996 bij besluit van 21 april 1997 gehandhaafd.


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 21 april 1997 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de indeling van appellant in fase 4 (D-categorie) een handeling van feitelijke aard is en geen rechtshandeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat daartegen geen rechtsmiddelen openstaan. Gedaagde had het bezwaar van appellant dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat, wanneer het bezwaar van appellant geacht zou moeten worden te zijn gericht tegen de gebruikmaking door gedaagde van de in artikel 107, eerste lid, van de Abw neergelegde bevoegdheid om de verplichting gericht op de arbeidsinschakeling niet op te leggen, ook dat bezwaar niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard omdat - aldus de rechtbank - niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang appellant bij zodanig bezwaar zou kunnen hebben.


Appellant heeft zich in hoger beroep tegen die oordeelsvorming gekeerd. Hij heeft - voorzover de Raad het uit de diverse schrifturen van appellant begrijpt - zijn al in de bezwaarschriftprocedure geëtaleerde standpunt dat hij wel een plaats op de arbeidsmarkt behoort te hebben, gehandhaafd.


Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Allereerst is de Raad van oordeel dat een indeling in fase 4, categorie D, geen handeling van feitelijke aard betreft, nu daaraan het standpunt ten grondslag ligt dat appellant niet bemiddelbaar is naar arbeid, zodat van de kant van gedaagde geen pogingen worden ondernomen om hem aan te zetten tot het ontplooien van activiteiten op de arbeidsmarkt.

Aldus is bedoelde indeling op rechtsgevolg gericht. Voorts berust het verlenen van ontheffing als vorenbedoeld op de bevoegdheid van burgemeester en wethouders, neergelegd in artikel 107 van de Abw. Het besluit om van deze wettelijke bevoegdheid gebruik te maken is evenzeer op rechtsgevolg gericht en bij dat besluit is het belang van appellant terdege rechtstreeks betrokken, in welk verband de al dan niet gegrondheid van de geuite bezwaren niet ter zake doet.


Dit brengt mee dat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen voor appellant het middel van bezwaar openstaat. De Raad is dan ook van oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot een niet-ontvankelijkheid van het bezwaarschrift is gekomen.


Wel onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op bezwaar onbevoegdelijk door de commissie Bezwaren S.W. in plaats van door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemert-Bakel is genomen en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Nu het College van burgemeester en wethouders in beroep schriftelijk te kennen heeft gegeven het besluit van 21 april 1997 van de Commissie Bezwaren S.W. te bekrachtigen, staat de Raad, gezien naar artikel 8:72, derde lid, van de Awb, voor de vraag of het besluit van gedaagde op grond van artikel 107 van de Abw op onjuiste gronden is genomen.


De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Gelet op de beschikbare gegevens, waarvan met name het medische advies van de GGD Helmond van 24 mei 1995, acht de Raad het besluit van gedaagde om appellant met toepassing van artikel 107 van de Abw ontheffing van de in artikel 113 van de Abw neergelegde verplichtingen te verlenen op goede gronden te berusten. De Raad is dan ook tot de conclusie gekomen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op bezwaar in stand kunnen worden gelaten.


De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het inleidend beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige, behoudens voor zover daarbij de gemeente Gemert-Bakel is gelast aan appellant het door hem gestorte griffierecht te vergoeden;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

Gelast de gemeente Gemert-Bakel aan appellant het in hoger beroep gestorte griffierecht ad f 170,-- te vergoeden.



Aldus gewezen door mr. J.G. Treffers als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2001.


(get.) J.G. Treffers.


(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.


JdB

2004