Centrale Raad van Beroep, 02-08-2001 / 98/3316 AW, 98/3317 AW, 98/3318 AW en 98/3321 AW


ECLI:NL:CRVB:2001:AB3118

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-08-02
Publicatiedatum
2001-08-23
Zaaknummer
98/3316 AW, 98/3317 AW, 98/3318 AW en 98/3321 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2001/153
Uitspraak

98/3316 AW, 98/3317 AW, 98/3318 AW en 98/3321 AW



U I T S P R A A K



met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht inzake de kosten van de gedingen tussen:


[A.], wonende te [B.], verzoeker 1,

[C.], wonende te [D.], verzoeker 2,

[E.], wonende te [F.], verzoeker 3,

[G.], wonende te [D.], verzoeker 4,


en


de Korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond, gedaagde.



I. INLEIDING


Namens verzoekers heeft G.E.J. Splinter, werkzaam bij de ACP politie vakorganisatie, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 maart 1998, onder nr. 95/22440-R3 AW (verzoeker 1), 13 maart 1998, onder nrs. 95/2441-R3 AW en 95/2241-R3 AW (verzoeker 2 en 3) en 30 maart 1998, onder nr. 95/2185-R3 AW (verzoeker 4), waarbij de beroepen van verzoekers ongegrond waren verklaard.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Nadat gedaagde een nieuw besluit d.d. 9 april 2001 had genomen, heeft mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef, eveneens werkzaam bij de ACP, het namens verzoekers 1, 2 en 4 ingestelde hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht gedaagde in de proceskosten te veroordelen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Het namens verzoeker 3 ingestelde hoger beroep is door mr. M.D.W. Smit-van Valkenhoef ter zitting van de Raad van 12 april 2001 ingetrokken, waarbij eveneens aan de Raad verzocht is gedaagde in de proceskosten als vorenbedoeld te veroordelen.


Daarop is namens gedaagde gereageerd.


Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.



II. MOTIVERING


De nadere besluiten van 9 april 2001 zijn genomen nadat de Raad op 27 september 2000 uitspraak had gedaan in een aantal gedingen tussen collegae van verzoekers en gedaagde, waarbij de betrokken bestreden besluiten zijn vernietigd.

Nu de hoger beroepen zijn ingetrokken, omdat alsnog aan verzoekers is tegemoet gekomen, bestaat in beginsel aanleiding om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van verzoekers, welke blijkens de ingediende formulieren uitsluitend hebben bestaan uit de kosten van rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), verleend door de ACP.

Met inachtneming van het Besluit dient de Raad in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of er sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit, welke zaken voor de vaststelling van de kosten een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden beschouwd als één zaak.


De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.


Samenhangende zaken zijn gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.


De Raad is van oordeel dat ten aanzien van de vier onderhavige zaken aan de hiervoor omschreven voorwaarde is voldaan. De Raad merkt daarbij op dat de kosten van het verschijnen ter zitting van 12 april 2001 ten behoeve van verzoeker 3 door hem niet als redelijkerwijs te zijn gemaakt als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt, omdat mede gelet op hetgeen door de gemachtigde van verzoeker 3 ter zitting van 12 april 2000 is opgemerkt niet valt in te zien waarom deze verzoeker zijn hoger beroep niet tegelijk met de drie andere verzoekers, en derhalve voor de zitting, heeft ingetrokken.

De Raad is voorts van oordeel dat de zaken van verzoekers eveneens als samenhangend met de hiervoor genoemde gedingen van hun collegae, waarop bij uitspraak van 27 september 2000 is beslist, moeten worden aangemerkt, nu gesteld noch gebleken is dat ten behoeve van verzoekers verleende rechtsbijstand zich op enigerlei wijze heeft onderscheiden van de rechtsbijstand ten behoeve van die collegae.


Bij genoemde uitspraak vond de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van die vier appellanten wegens in eerste aanleg en in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Bij de berekening is de wegingsfactor 1,5 toegepast, die gehanteerd wordt bij 4 of meer samenhangende zaken.

Nu in die 4 zaken reeds een proceskostenveroordeling is uitgesproken ten behoeve van verleende rechtsbijstand en een aantal van acht samenhangende zaken niet tot een hogere wegingsfacor en daarmee tot een hogere proceskostentoewijzing zou leiden, komt de Raad tot het oordeel dat thans geen proceskosten resteren die voor vergoeding in aanmerking komen.


Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III is vermeld.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Wijst verzoeken om proceskostenveroordeling af.


Aldus gegeven door mr. W. van den Brink als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2001.


(get.) W. van den Brink.


(get.) A. de Gooijer.


HD

20.07

Q