Centrale Raad van Beroep, 09-08-2001 / 99/1795 AW


ECLI:NL:CRVB:2001:AB9887

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-08-09
Publicatiedatum
2001-08-23
Zaaknummer
99/1795 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2002/16
Uitspraak

99/1795 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[A.], wonende te [B.], appellant,


en


de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 22 februari 1999, nr. Awb 98/35, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 14 juni 2001 heeft appellant een proceskostenformulier ingezonden en laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.


Het geding is behandeld ter zitting van 28 juni 2001, waar gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. B.A. Frijlink, werkzaam bij gedaagdes ministerie.



II. MOTIVERING


1.1. Ingevolge de artikelen 1 en 2 van het Be-sluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel (BTZR) heeft de ambtenaar niet alleen voor zichzelf maar ook voor de partner waarmee hij niet gehuwd samenwoont, aanspraak op tegemoetkoming in ziektekosten. Daarvoor is vereist dat de ambtenaar en die partner met het oogmerk duurzaam samen te leven een gezamenlijke huishouding voeren op basis van een notarieel samenlevingscontract dat de wederzijdse rechten en verplichtingen terzake van de samenwoning en de gemeenschappelijke huishouding bevat. De tegemoetkoming wordt toegekend over elke kalendermaand waarin gedurende meer dan de helft van het aantal dagen van voormelde samenwoning sprake is.


1.2. Nadat appellant met ingang van 1 oktober 1996 een dergelijke tegemoetkoming was toegekend, heeft hij verzocht om deze per 1 april 1996 te laten ingaan nu reeds vanaf die datum gold dat hij met zijn partner samenwoonde en in haar kosten van levensonderhoud voorzag. Ten bewijze daarvan heeft appellant stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn partner en haar kinderen reeds vanaf 1 april 1996 via zijn ziektekostenverzekering waren meeverzekerd, alsmede een op 27 september 1996 notarieel verleden samenlevingscontract waarbij hij en zijn partner hebben verklaard dat zij een affectieve relatie hebben, sinds 1 april 1996 samenwonen en sedertdien een gemeenschappelijke huishouding voeren.


1.3. Bij gedaagdes besluit van 23 juli 1997 is appellants verzoek afgewezen op de grond dat het notarieel verleden samenlevingscontract eerst op 27 september 1996 tot stand is gekomen en gelet op 's Raads in TAR 1992, 98 gepubliceerde uitspraak aan de in het contract opgenomen terugwerkende kracht voor de in geding zijnde aanspraak geen betekenis toekomt.


1.4. In zijn tegen de afwijzing ingediende bezwaarschrift van 25 juli 1997 heeft appellant betoogd dat de behandelend ambtenaar in een telefonisch contact te kennen had gegeven dat zijn verzoek zou worden ingewilligd. Voorts stelde hij dat de eis van een samenlevingscontract in strijd was met het in internationale verdragen neergelegde gelijkheidsbeginsel.


1.5. Gedaagde heeft het bezwaar, na herhaalde verdaging, bij het bestreden besluit van 24 december 1997 kennelijk ongegrond verklaard en appellant wegens die kennelijke ongegrondheid niet in de gelegenheid gesteld overeenkomstig artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden gehoord.


1.6. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2.1. Naar aanleiding van het hoger beroep zal de Raad eerst ingaan op appellants, ook reeds in de procedure bij de rechtbank aangevoerde, grief dat hij in bezwaar ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Gedaagde stelt hiertegenover dat het duidelijk was dat hetgeen appellant op een hoorzitting naar voren zou kunnen brengen, niet tot wijziging van het primaire besluit kon leiden gezien de duidelijke regelgeving en rechtspraak en omdat het in verband met de deskundigheid en ervaring van de behandelend ambtenaar hoogst onaannemelijk was dat deze de gestelde, niet nader onderbouwde, toezegging had gedaan.


2.2. De Raad heeft al vaker overwogen dat artikel 7:3, aanhef en onder a en b, van de Awb, zeer terughoudend moet worden toegepast (zie onder meer de uitspraak, gepubliceerd in AB 2000, 35). Aan de in deze bepaling neergelegde uitzonderingsmogelijkheden kan slechts toepassing worden gegeven als het zonneklaar is dat het bezwaar niet-ontvankelijk onderscheidenlijk ongegrond is. In het onderhavige geval kon gedaagde, mede omdat dienaangaande in het bezwaarschrift geen concrete informatie was verschaft, wel tot het oordeel komen dat niet direct aannemelijk was dat de gestelde mededeling had plaatsgevonden. Maar daarmee was nog niet zonneklaar dat zij niet had plaatsgevonden. Ook de opheldering waarom gedaagde de behandelend ambtenaar naar aanleiding van appellants bewering heeft gevraagd, kon, nu gedaagde niet op de hoogte was van appellants reactie op de aldus verkregen informatie, niet tot de conclusie leiden dat appellants stelling kennelijk ongegrond was. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb totstandgekomen, zodat het evenals de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, terwijl het inleidend beroep gegrond verklaard moet worden.


3.1. De Raad meent evenwel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand gelaten dienen te worden omdat gedaagde gehouden was appellants verzoek af te wijzen. Hij overweegt daartoe het volgende.


3.2.1. Appellant bestrijdt die afwijzing primair op grond van het in de Grondwet en in internationale verdragen neergelegde gelijkheidsbeginsel. Hij stelt dat het onderscheid in het BTZR tussen gehuwden en ongehuwd samenwonenden geen legitiem doel meer dient en daarom discriminatie oplevert. De eis van een samenlevingscontract acht hij in strijd met het proportionaliteitsbeginsel, nu het niet hanteren van die eis geen onoverkomelijke problemen voor de uitvoering van het BTZR behoeft op te leveren. Daar komt nog bij, aldus appellant, dat gedaagdes uitgangspunt dat aan een samenlevingscontract gegeven terugwerkende kracht voor de toepassing van het BTZR niet relevant is, uit het aanvraagformulier en de brochure "Rijksambtenaar 1996" niet blijkt. Voorts meent appellant dat gelet op het doel van het BZTR in het onderhavige geval niet aan dit uitgangspunt behoort te worden vastgehouden nu de overeengekomen terugwerkende kracht op zakelijke gronden berust en slechts een geringe periode betreft.


3.2.2. Subsidiair beroept appellant zich op de toezegging van de behandelend ambtenaar dat zijn verzoek zou worden ingewilligd. Daartoe heeft appellant in hoger beroep een door hem opgestelde notitie van het telefoongesprek overgelegd volgens welke bedoelde ambtenaar hem het volgende zou hebben meegedeeld: "De zaak is me duidelijk en lijkt me redelijk. Zet e.e.a. nog even op papier dan breng ik de zaak in orde.".


3.3.1. De Raad overweegt dat appellants primaire standpunt er op neerkomt dat, nu het BTZR de eis van een notarieel verleden samenlevingscontract niet aan gehuwde ambtenaren stelt, het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat die eis evenmin aan ongehuwd samenwonende ambtenaren kan worden gesteld. De Raad kan appellant hierin niet volgen.

In het licht van de doelstelling van het BTZR om op objectieve en eenvoudige wijze vast te stellen of betrokkenen zijn overeengekomen om samen te wonen en een verplichting tot onderhoud op zich hebben genomen, is het niet onredelijk of disproportioneel dat het BTZR aan ongehuwd samenwonenden de eis van een notarieel verleden samenlevingscontract stelt. Dat die eis niet aan gehuwden wordt gesteld, ligt in de rede nu door de akte van de ambtenaar van de burgerlijke stand reeds vaststaat dat de gehuwden zijn overeengekomen om samen te wonen en een verplichting tot onderhoud op zich hebben genomen. Het in het BTZR gemaakte onderscheid berust dan ook op objectieve en redelijke gronden. De omstandigheid dat er andere wettelijke regelingen zijn die geen (notarieel verleden) samenlevingscontract eisen en betrokkenen toch als samenwonend aanmerken, doet hieraan niet af. De afwijzing van appellants verzoek is dan ook niet in strijd met het in de Grondwet en internationale verdragen neergelegde gelijkheidsbeginsel.


3.3.2. Dat in de eis van een notarieel samenlevingscontract besloten ligt dat aan in dat contract neergelegde terugwerkende kracht voor aanspraken als de onderhavige geen betekenis kan toekomen, heeft de Raad al eerder in zijn in TAR 1992, 98 gepubliceerde uitspraak overwogen. In de omstandigheid dat appellants partner en haar kinderen al vanaf 1 april 1996 in appellants ziektekostenverzekering waren opgenomen, noch in de omstandigheid dat de door appellant en zijn partner overeengekomen terugwerkende kracht minder dan zes maanden bedraagt, kan de Raad aanleiding zien gedaagde gehouden te achten op de in de artikelen 1 en 2 van het BTZR neergelegde algemeen verbindende voorschriften voor appellant een uitzondering te maken.


3.3.3. De Raad is voorts van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft weten te maken dat hem telefonisch is toegezegd dat zijn verzoek zou worden ingewilligd - ook de door appellant overgelegde telefoonnotitie maakt dit niet aannemelijk -, zodat kan worden daargelaten of de gestelde toezegging rechtens bindend zou zijn geweest.


3.4. Gezien het vorenstaande behoeven appellants overige grieven, die van formele aard zijn, geen bespreking meer.


3.5. De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in appellants proceskosten in eerste aanleg. Deze kosten worden begroot op f 36,- aan reiskosten. Voorts komen voor vergoeding in aanmerking de door appellant op het proceskostenformulier vermelde en door gedaagde niet bestreden verletkosten, ten bedrage van f 352,80, waarbij de Raad in aanmerking neemt dat appellant terzake van het verschijnen ter zitting van de rechtbank kennelijk geen buitengewoon verlof heeft genoten. Vergoed wordt dan ook in totaal een bedrag van f 388,80.


Beslist wordt derhalve als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal f. 388,80,--, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal f. 395,-- vergoedt.


Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2001.


(get.) J.C.F. Talman.


(get.) D. Boers.


HD

11.07

Q

v