Centrale Raad van Beroep, 22-08-2001 / 99/3863 WW, 99/5202 WW


ECLI:NL:CRVB:2001:AD3830

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-08-22
Publicatiedatum
2001-09-25
Zaaknummer
99/3863 WW, 99/5202 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2001/248
Uitspraak

99/3863 WW

99/5202 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[A.], wonende te [B.], appellant,


en


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Groningen onder dagtekening

2 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarbij het besluit op bezwaar van 24 juni 1998 is vernietigd en gedaagde is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen en waarbij tevens beslissingen zijn gegeven omtrent het griffierecht en de proceskosten.


Ter uitvoering van deze uitspraak heeft gedaagde een nieuw besluit op bezwaar genomen, gedateerd 17 september 1999.


Namens appellant heeft mr. H. Koelewijn, advocaat te Woerden, de gronden van het hoger beroep aangevoerd bij brief van

5 oktober 1999.


Bij brief van 28 november 1999 heeft gedaagde van verweer gediend.


Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld van de Raad, gehouden op 11 juli 2001, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.


II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


De Raad gaat uit van de volgende, aan de gedingstukken ontleende feiten en omstandig-heden.


Appellant is van 8 november 1993 tot en met 30 juni 1994 als slager-uitbener gedurende 40 uur per week werkzaam geweest in dienst van de [X.] B.V. Op 4 juli 1994 heeft hij bij het Gezamenlijk Uitvoeringsorgaan (hierna: GUO), uitvoerings-instelling van de toenmalige Bedrijfsvereniging voor het Slagers- en Vleeswarenbedrijf, de Groothandel in Vlees en de Pluimveeslachterijen 'de Samenwerking', per 30 juni 1994 uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 20 september 1994 is appellant (in verband met arbeidsongeschiktheid eerst) ingaande

21 juli 1994 uitkering toegekend naar een dagloon van f 157,31 inclusief vakantietoeslag. Tevens is daarbij besloten de WW-uitkering over de vakantieperiode van 1 augustus 1994 tot en met 11 augustus 1994 (week 31 en 32) door te betalen.


Op 22 mei 1996 heeft het GUO kennis genomen van het feit dat appellant in de periode van 11 tot en met 29 juli 1994 (week 28, 29 en 30) gedurende respectievelijk 40, 39 en 39 uur per week en in de periode van 15 augustus tot en met 27 augustus 1994 (week 33 en 34) gedurende respectievelijk 50 en 52,5 uur per week heeft gewerkt voor Uitzendbureau [W.] B.V te [Y.], een uitzendbureau voor slagers en winkelpersoneel dat voor de uitvoering van de sociale verzekeringswetten is aangesloten bij de (toenmalige) Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Van deze werkzaamheden heeft appellant geen melding gemaakt op de desbetreffende "4-weken verklaring ww". Daaromtrent heeft ap-pellant aangevoerd dat hij niet goed wist hoe hij een en ander moest vermelden en dat hij in overleg met het kantoor van het GUO in Rijswijk de loonstroken na ontvangst van de werkgever heeft opgestuurd. Dit laatste is niet aannemelijk geworden en, nu dit aspect in hoger beroep niet meer aan de orde is gesteld, kan de Raad dit verder buiten bespreking laten.

Die omstandigheden hebben ertoe geleid dat het GUO bij besluit van 2 mei 1997 de over de periode 21 juli 1994 tot en met 29 juli 1994 (week 29) verstrekte WW-uitkering tot een bedrag van f 691,23 van appellant terugvordert. Daarbij is appellant tevens bericht dat wegens een benadelingshandeling volgens het beleid van 'de Samenwerking' een sanctie op de WW-uitkering dient te worden toegepast van 10% gedurende 8 weken, doch dat deze sanctie niet kan worden geëffectueerd omdat het Gak als uitvoeringsinstelling bevoegd is om per 1 augustus 1994 de WW-uitkering vast te stellen. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 30 mei 1997 heeft het GUO bij gedaagde de aan appellant tot 4 februari 1997 verstrekte WW-uitkering gedeclareerd tot een bedrag van f 68.917,20, erop wijzend dat appellant van 21 juli 1994 tot en met 31 juli 1994 heeft gewerkt bij een werkgever die bij het Gak is aangesloten en dat gedaagde van 1 augustus 1994 de bevoegde instantie is om het recht op WW-uitkering vast te stellen. Tevens is daarbij onder bijvoeging van de betreffende rapportages aangegeven dat appellant in de weken 33 en 34 geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden. Gedaagde heeft appellant een nieuw aanvraag-formulier WW doen invullen; uitgegaan wordt (kennelijk) van aangifte van werkloosheid bij gedaagde op 16 juni 1997.


Bij brief van (kennelijk) 4 februari 1998 heeft gedaagde appellant bericht dat naar aan-leiding van zijn WW-aanvraag ingaande 29 augustus 1994 besloten is het dagloon vast te stellen op f 152,95 inclusief vakantietoeslag, de duur van de loongerela-teerde uitkering op 1,5 jaar te stellen en de vervolguitkering op 1 jaar, doch dat ingevolge artikel 23 van de WW niet verder kan worden teruggegaan dan maximaal 26 weken vanaf de datum van aanvraag. Dat betekent dat alleen verrekening met het GUO mogelijk is vanaf 16 december 1996, aldus dat besluit.


Bij besluit op bezwaar van 24 juni 1998 heeft gedaagde zijn opvatting gehandhaafd, daar-aan toevoegend dat appellant, aangezien achteraf is gebleken dat hij over de periode van 21 juli 1994 tot en met 27 augustus 1994 gewerkt heeft bij bovengenoemd uitzendbureau, destijds de aanvraag om een WW-uitkering bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging had moeten doen en ten onrechte de uitkering tot 4 februari 1997 door het GUO is be-taald. Een bijzonder geval als bedoeld in artikel 23 van de WW wordt niet aanwezig geacht.


Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Naar aanleiding van de stelling van appellant, dat gedaagde ten onrechte artikel 23 van de WW heeft toegepast omdat hij reeds op 4 juli 1994 een aanvraag van WW-uitkering had ingediend, overweegt de rechtbank dat terecht toepassing is gegeven aan artikel 23 van de WW. Van schending door het GUO van zijn doorzendverplichting als bedoeld in artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geen sprake, nu het GUO zich er niet van bewust hoefde te zijn dat het onbevoegd was op de aanvraag van juli 1994 te beslis-sen. De rechtbank acht echter wel een bijzonder geval aanwezig. Haar opvatting komt hierop neer dat de wetenschap van het GUO, dat reeds op 22 mei 1996 bekend was met zijn onbevoegdheid om over het recht op WW te beslissen, ertoe had moeten leiden dat appellant zich eerder dan in juni 1997 met een aanvraag tot het Gak wendde. De duur van de besluitvorming binnen het GUO, nadat de door appellant verzwegen informatie bekend was geworden, dient niet voor risico van appellant te komen, maar is een omstandigheid die meebrengt dat er sprake is van een bijzonder geval, aldus de rechtbank.


Gedaagde heeft in deze uitspraak berust en het in rubriek I genoemde besluit van 17 september 1999 genomen. Daarbij heeft gedaagde, zich aansluitend bij het oordeel van de rechtbank, een bijzonder geval aangenomen en besloten de uitkering vast te stellen ingaande een half jaar voordat het GUO bekend is geworden met het feit dat appellant de door hem in juli en augustus 1994 verrichte werkzaamheden niet had opgegeven. Aan appellant wordt ingaande 22 september 1995 het recht op uitkering toegekend.


De Raad stelt vast dat met het besluit van 17 september 1999 niet geheel aan het beroep van appellant wordt tegemoet gekomen, zodat het beroep op grond van artikel 6:19 van de Awb tevens geacht wordt gericht te zijn tegen dat besluit.


De Raad overweegt als volgt.


De Raad constateert in de eerste plaats dat het bestreden besluit het gevolg is van de WW-aanvraag die gedaagde in juni 1997 van appellant heeft ontvangen. Die aanvraag heeft gedaagde blijkens het primaire besluit opgevat als betrekking hebbende op 28 augustus 1994, toen arbeidsurenverlies en recht op WW-uitkering is ontstaan. Terzake van de per die datum ontstane werkloosheid ligt geen eerdere aanvraag voor, ook niet bij het GUO, dan die van juni 1997. Gedaagde en de rechtbank hebben derhalve terecht de toe-passing van artikel 23 van de WW, anders dan de gemachtigde van appellant in hoger beroep kennelijk beoogt in twijfel te trekken, aan de orde geacht.


Gedaagde gaat er thans van uit dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 23 van de WW. De Raad ziet geen aanleiding daarin gedaagde niet te volgen. Dat betekent dat gedaagde te beoordelen heeft met ingang van welke datum de uitkering dient te worden toegekend. Bij het besluit van 17 september 1999 heeft gedaagde het recht op uitkering toegekend met ingang van de datum, die gelegen is een half jaar voor 22 mei 1996. Voor dat half jaar is kennelijk aangeknoopt bij de eerste vol-zin van artikel 23 van de WW. De overweging dat de duur van besluitvorming bij het GUO niet voor risico van appellant dient te komen, geeft echter op zichzelf geen voldoende motivering voor de thans gekozen ingangsdatum, terwijl het besluit overigens een daarop toegesneden motivering ontbeert.


Naar het oordeel van de Raad had gedaagde voorts, in lijn met de wel in het besluit tot uitdrukking gebrachte gedachte dat de kennis en wetenschap van het GUO in deze een relevante factor is, in volle omvang moeten meewegen dat het GUO van meet af aan bekend was met het onderhavige werkloosheidgeval en daarop controle heeft uitgeoefend. Gedaagde kon op eenvoudige wijze beschikken over voor de vaststelling van het recht benodigde gegevens door deze bij het GUO op te vragen. Met de strekking van artikel 23 van de WW, dat blijkens de Memorie van Toelichting dient om te voorkomen dat het be-stuursorgaan "over ver in het verleden liggende perioden moet vaststellen of al dan niet recht op uitkering bestond", verdraagt zich niet dat het feit dat een ander orgaan bekend is met hetzelfde werkloosheidsgeval en daarop controle heeft uitgeoefend, buiten beschouwing wordt gelaten en niet in de belangenafweging wordt betrokken.


Het besluit van 17 september 1999 dient derhalve wegens strijd met de artikelen 3:2, 3:4, eerste lid, en 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen.


De Raad acht termen aanwezig gedaagde te veroordelen in de aan de zijde van appellant gevallen kosten in hoger beroep, begroot op f 710,-- wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Rechtdoende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 september 1999 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verstaat dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde tot betaling aan appellant van f 710,-- ;

Gelast dat gedaagde het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van f 170,-- aan hem vergoedt.


Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. F. J.L. Pennings als leden in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2001.


(get.) M.A. Hoogeveen.



(get.) I. de Hartog.




GdJ

218