Centrale Raad van Beroep, 29-11-2001 / 99/2557 AW


ECLI:NL:CRVB:2001:AD9494

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-11-29
Publicatiedatum
2002-10-09
Zaaknummer
99/2557 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2002/40
Uitspraak

99/2557 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant,


en


[A.], wonende te [B.], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, met bijlage, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 25 februari 1999, nr. AW 96/3607-S1, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Desgevraagd is namens appellant, bij schrijven van 2 augustus 2001, meegedeeld dat de gronden van het hoger beroep nader werden beperkt.


Het geding is behandeld ter zitting van 18 oktober 2001, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. B. van Hassel-van Roon, werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J. de Waal, advocaat te Rotterdam.



II. MOTIVERING


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


2. Gedaagde, die sedert 1 september 1986 in dienst was van de gemeente [B.], is bij besluit van 17 juni 1991 in het kader van een reorganisatie herplaatst als medewerker [V.] bij de afdeling [W.] van de nieuw gevormde dienst [X.]. Gedaagde is daarna in de periode van augustus 1991 tot augustus 1992 arbeidsongeschikt geweest en is na zijn herstel teruggekeerd naar de afdeling [W.]. In de periode daaropvolgend heeft zich een aantal incidenten en conflicten voorgedaan tussen het hoofd van de afdeling [W.], [C.], en gedaagde. Op 7 juli 1993 is een negatieve beoordeling over gedaagde opgemaakt over de periode augustus 1992 tot en met juni 1993. Op 23 augustus 1993 heeft het toenmalige hoofd van de [X.] die beoordeling vastgesteld, waarbij dit hoofd heeft geconcludeerd dat gedaagde als gevolg van een verstoorde verhouding met zijn chef niet meer kon terugkeren naar de afdeling [W.]. Gedaagde is tijdelijk in een andere functie geplaatst bij de [X.]. Gedaagde heeft tegen de beoordeling bezwaar gemaakt. Dat heeft in april 1994 uiteindelijk geresulteerd in het door appellant intrekken van die beoordeling. Aan gedaagde zijn toen ook de kosten van rechtsbijstand vergoed en hem is alsnog een opgeschorte periodieke salarisverhoging toegekend.


2.1. Vervolgens hebben tussen partijen besprekingen plaatsgevonden met het doel gedaagde elders bij de gemeente [B.] te herplaatsen. In dit kader is gedaagde een concrete functie voorgehouden die hij niet heeft aanvaard. Daarna hebben de besprekingen zich gericht op het tot stand brengen van een voor beide partijen aanvaardbare minnelijke vertrekregeling, in welk verband gedaagde onder andere een concept-ondernemingsplan om zich als zelfstandig ondernemer te vestigen, aan appellant heeft voorgelegd.

Uiteindelijk heeft een en ander niet tot een voor beide partijen gewenst resultaat geleid. Bij brief van 20 september 1995 heeft appellant geconcludeerd dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt en ook niet zullen bereiken, en heeft appellant kenbaar gemaakt dat een ontslagprocedure in gang zal worden gezet.


2.2. Bij besluit van 28 november 1995 heeft appellant aan gedaagde wegens verstoorde verhoudingen met ingang van 1 februari 1996 eervol ontslag verleend op grond van artikel 96, eerste lid, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Rotterdam (AR), onder toekenning van een uitkering met overeenkomstige toepassing van de Wachtgeldverordening 1980, met dien verstande dat de duur van de uitkering is gehalveerd en is beperkt tot drie jaren. Bij besluit van 19 december 1995 heeft appellant, gelet op de in artikel 86 van het AR opgenomen opzegtermijn van twee maanden, de ingangsdatum van het ontslag gewijzigd in 7 februari 1996.


2.3. Bij het thans bestreden besluit van 27 augustus 1996 heeft appellant, met gedeeltelijke wijziging van de motivering van de besluiten van 28 november 1995 en 19 december 1995 en onder handhaving van het overige, de bezwaren van gedaagde ongegrond verklaard.


2.4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant wegens de verstoorde verhoudingen tussen gedaagde en het hoofd van de afdeling waarbij hij werkzaam was bevoegd was gedaagde op grond van artikel 96, eerste lid, van het AR eervol te ontslaan. Met betrekking tot de aan dat ontslag verbonden wachtgeldregeling heeft de rechtbank geoordeeld dat ingevolge de jurisprudentie van deze Raad inzake artikel 96 van het AR, appellant op grond van het tweede lid van dat artikel in het algemeen dient te waarborgen dat de betrokkene (ten minste) aanspraak kan maken op een uitkering die gelijk is aan het reguliere wachtgeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat dit in het geval van gedaagde anders zou moeten zijn, en oordeelde dat appellant, door daarin niet te voorzien, in strijd heeft gehandeld met artikel 96, tweede lid, van het AR. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat appellant in het onderhavige geval gehouden was naast het reguliere wachtgeld aan het ontslag een nadere financiële tegemoetkoming te verbinden, en heeft die tegemoetkoming wat betreft de duur gelijk gesteld aan het reguliere wachtgeld en wat betreft de hoogte gelijk gesteld aan 100% van de bezoldiging die gedaagde zou hebben genoten als hij zijn functie van medewerker [V.] zou hebben behouden. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd voorzover het betrekking heeft op de aan gedaagde toegekende wachtgeldregeling, heeft bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte en heeft bepalingen gegeven inzake de proceskosten van gedaagde en het door hem betaalde griffierecht.


3. Bij brief van 2 augustus 2001 is het hoger beroep als volgt beperkt: "Het College heeft in de vergadering van 24 juli 2001 besloten om de gronden van het hoger beroep (…) aan te passen en wel in die zin dat het beroep zich niet langer richt tegen de door de rechtbank in de bestreden uitspraak gehanteerde garantie op een uitkering op wachtgeldniveau. Het College wenst het hoger beroep tegen dat deel van de uitspraak waarin de heer [A.] naast de uitkering op wachtgeldniveau een extra uitkering wordt toegekend waardoor de totale uitkering wordt verhoogd tot 100% van de bezoldiging die hij zou hebben genoten wanneer hem geen ontslag was verleend (zgn. wachtgeld-plusuitkering) te handhaven."


4. De Raad overweegt inzake het aldus resterende punt van geschil als volgt.


5. Aan het bestreden besluit ligt de opvatting ten grondslag dat gedaagde geen enkel aandeel heeft gehad in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen, maar dat het voornamelijk aan gedaagde is te wijten dat de onderhandelingen over een minnelijke regeling niet binnen een redelijk te achten termijn van zes maanden na de intrekking van de beoordeling in april 1994 met succes zijn afgerond.


5.1. Nu gedaagde in het ontstaan van de verstoorde verhoudingen geen enkel aandeel had, rustte er naar het oordeel van de Raad een bijzondere verantwoordelijkheid op appellant om ervoor zorg te dragen dat de ontstane impasse zou worden doorbroken.

Daartoe diende hij zich in te spannen om gedaagde binnen de gemeente [B.] een andere passende functie aan te bieden en, als dit niet mogelijk zou blijken, een vertrekregeling met een gelet op de omstandigheden adequate financiële voorziening te treffen.


5.2. Appellant heeft de Raad er niet van kunnen overtuigen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om een andere passende functie aan te bieden, nu hij gedaagde uitsluitend de voor een duur van zeven maanden gecreëerde functie "tijdelijke senior medewerker statistiek" heeft aangeboden. Appellants verwijt dat gedaagde geen enkele poging heeft gedaan om aan de impasse een einde te maken, acht de Raad niet terecht, nu gedaagde het initiatief tot een aantal - op 18 april 1994, 28 juni 1994 en 23 september 1994 gevoerde - gesprekken heeft genomen. De Raad kan evenmin appellants opvatting onderschrijven dat het voornamelijk aan gedaagde is te wijten dat de onderhandelingen niet zijn afgerond binnen een redelijke termijn nadat appellant (eerst) in april 1994 de op 7 juli 1993 opgemaakte negatieve beoordeling had ingetrokken. De Raad stelt vast dat beide partijen niet steeds voortvarend hebben gehandeld. Zo heeft appellant, nadat gedaagde overeenkomstig afspraak begin november 1994 een concept-ondernemingsplan - er op gericht dat hij als zelfstandig ondernemer aan de slag zou gaan - had ingezonden, dit plan aanvankelijk positief ontvangen, maar nadat gedaagde op korte termijn de gevraagde nadere informatie had verschaft eerst op 21 april 1995 laten weten dat hij niet met het voorstel kon instemmen. Vervolgens heeft gedaagdes reactie daarop ook weer een aantal maanden in beslag genomen. Het verwijt dat gedaagde zich in de onderhandelingsperiode publiekelijk kritisch over de gemeentelijke overheid heeft uitgelaten laat de Raad, nu namens appellant nadrukkelijk is verklaard dat dit gedrag bij het bestreden besluit slechts van ondergeschikte betekenis is geacht, buiten beschouwing.


5.3. Gegeven appellants in hoger beroep niet meer in geschil zijnde bevoegdheid tot ontslag, kan de Raad appellants standpunt dat hij had kunnen volstaan met toekenning van een naar hoogte en duur aan regulier wachtgeld gelijke uitkering niet volgen.

Het ontstaan van de verstoorde verhouding komt geheel voor rekening van appellant en het was niet voornamelijk aan gedaagde te wijten dat de ontstane impasse ook na april 1994 nog geruime tijd is blijven voortduren. Gelet op deze omstandigheden is het terecht dat de rechtbank alleen een substantieel gunstiger uitkering adequaat heeft geacht. Nu appellant dit standpunt van de rechtbank alleen ten principale - doch vruchteloos - heeft bestreden en gedaagde niet in hoger beroep is gekomen, ziet de Raad geen aanleiding de (hoogte of duur van de) door de rechtbank vastgestelde uitkering onjuist te achten. Derhalve moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.


6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand en f 27,50 voor reiskosten.


7. Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot f 1.447,50, te betalen door de gemeente Rotterdam;

Bepaalt dat van de gemeente Rotterdam een griffierecht wordt geheven van f 675,-.


Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 november 2001.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) D. Boers.


HD

19.11

Q