Centrale Raad van Beroep, 18-01-2001 / 99/557 ALGEM


ECLI:NL:CRVB:2001:ZB9131

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2001-01-18
Publicatiedatum
2002-10-08
Zaaknummer
99/557 ALGEM
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2001, 69
  • USZ 2001/90 met annotatie van Mr. A. Moesker
Uitspraak

99/557 ALGEM



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,


en


X Software B.V., gevestigd te Y, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in

werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen

1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van

de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats

getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel

en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het

bestuur van deze bedrijfsvereniging.


Bij besluit op bezwaar van 15 augustus 1997 heeft appellant zijn aan gedaagde

opgelegde correctienota's van 23 oktober 1996 met betrekking tot de jaren 1991 tot

en met 1995 gehandhaafd. Deze correctienota's vinden hun oorzaak in het feit dat

appellant zich op het standpunt stelt dat gedaagde ten onrechte een aantal

werknemers als niet verzekerd ingevolge de Ziekenfondswet (ZFW) heeft aangemerkt,

wegens het overschrijden van de loongrens.


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 20 april 1999 aangegeven gronden

bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te

Rotterdam onder dagtekening 21 december 1998 tussen partijen gewezen uitspraak,

waarbij hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde heeft mr A.A.M. van der Elsen, advocaat te Berkel-Enschot, op 29

juni 1999 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 december 2000.

Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr R.P. Bourne, werkzaam bij Gak

Nederland B.V., terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door A.,

financial manager, met bijstand van mr G.A. Diebels, eveneens advocaat te

Berkel-Enschot en I.H.H. Merks, kantoorgenoot van mr Diebels voornoemd.



II. MOTIVERING


In hoger beroep is, evenals bij het geding in eerste aanleg, uitsluitend de vraag

aan de orde of de op grond van de bij gedaagde geldende regeling winstuitkering

(tot 1993) en vervolgens ingevoerde bonusregeling, aan werknemers betaalde

bonusuitkeringen als loon in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van

de ZFW moeten worden aangemerkt (hierna: loongrensbepaling).


De rechtbank heeft het bestreden besluit, waarin deze vraag ontkennend is

beantwoord, vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet

bestuursrecht, omdat gedaagde heeft nagelaten een nader onderzoek naar de feitelijke

uitbetaling van de bonussen te verrichten.


Appellant is in hoger beroep op materiële gronden tegen de uitspraak van de

rechtbank opgekomen.


Gedaagde stelt zich op het standpunt dat het altijd de bedoeling is geweest om de

werknemers die onder het toepassingsbereik van bedoelde regelingen vielen, ten

allen tijde een bonus te betalen die qua hoogte ertoe zou leiden dat de betrokken

werknemers een loon zouden genieten dat hen boven de loongrens zou brengen.


Gedaagde heeft daartoe in bezwaar en beroep gewezen op de feitelijke betalingen

in de onderhavige premiejaren. Hieraan heeft gedaagde de opvatting ontleend dat

zij op grond van dit bestendige gebruik in een eventuele civielrechtelijke

procedure in de situatie dat geen betaling van de bonus zou hebben plaatgevonden,

op bijvoorbeeld de grond dat haar financiële positie dat niet toeliet, zij in

rechte geen gehoor zou vinden.


De rechtbank heeft in verband hiermee geoordeeld dat appellant verzuimd heeft naar

de feitelijke betalingen een onderzoek te doen.


Daargelaten de betekenis die aan de bestendige, feitelijke betaling van een bonus

in het civiele recht kan toekomen, is de Raad van oordeel dat de rechtbank een

onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd voor de bewijslastverdeling.

Gedaagde heeft immers in bezwaar de stelling van de feitelijke betalingen

betrokken en het ligt, zeker nu dit gegevens zijn die uit de loonadministratie van

gedaagde moeten blijken, op de weg van de werkgever deze gegevens aan appellant

te verstrekken. De omstandigheid dat, zoals ter zitting gesteld, de looninspecteur

hier geen belangstelling voor had bij zijn looncontrole en deze zich door de

inhoud van de regeling voldoende voorgelicht achtte, doet hieraan niet af.

Gedaagde heeft door noch in bezwaar noch in beroep haar stelling met gegevens uit

de loonadministratie te onderbouwen in dit opzicht procesrisico genomen.

Appellant heeft derhalve bij de totstandkoming van het bestreden besluit naar het

oordeel van de Raad, kunnen volstaan met de haar ter beschikking staande gegevens.


Hiervan uitgaande moet de Raad vaststellen dat de bonusregeling, die qua inhoud

naar gedaagdes verklaring overeenkomt met de voordien geldende regeling, op tal

van punten laat zien dat geen sprake is van een vaste overeengekomen, naar

tijdsruimte vastgestelde beloning als bedoeld in de loongrensbepaling.

Hiertoe wijst de Raad op de artikelen 2, 3 en 5 van de partijen bekende regeling.

De in artikel 6, kennelijk met het oog op de loongrensbepaling, neergelegde

garantie, laat evenmin zien dat de beoogde garantie ten allen tijde geboden wordt.

Voorts laat artikel 8 van de regeling zien dat de regeling onder gewijzigde

omstandigheden ten allen tijde kan worden herzien of ingetrokken.


Nog afgezien van het vorenstaande heeft de rechtbank door grote betekenis toe te

kennen aan de feitelijke betaling van de bonus, ten onrechte uit het oog verloren

dat sprake moet zijn van vast overeengekomen, naar tijdsruimte vastgesteld loon.


In dit verband is van de kant van gedaagde ter zitting van de Raad verklaard dat

iedere betrokken werknemer jaarlijks van gedaagde een brief ontvangt waarin

vermeld is op welk regulier loon en op welke bonus hij het komende jaar aanspraak

heeft.


Aan deze eerste ter zitting van de Raad betrokken stelling kan de Raad, bij de

beslechting van het onderhavige geschil, geen betekenis toekennen, nu deze tardief

is ingebracht.


De Raad beantwoordt de in geding zijnde vraag derhalve ontkennend.


Gelet op het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven en

dient het inleidend beroep alsnog ongegrond te worden verklaard.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de

Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond.


Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr R.C. Schoemaker en mr

G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en

uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2001.



(get.) B.J. van der Net.




(get.) R.E. Lysen.








BvW

161