Centrale Raad van Beroep, 02-04-2002 / 99/4563 NABW, 01/5610 NABW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE1887

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-04-02
Publicatiedatum
2002-04-25
Zaaknummer
99/4563 NABW, 01/5610 NABW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2002, 151
  • JABW 2002, 92
  • USZ 2002/136
Uitspraak

99/4563 NABW

01/5610 NABW


U I T S P R A A K


in de gedingen tussen:


[appellante], appellante,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellante is hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 27 juli 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 15 november 1999 heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, namens appellante de gronden voor het hoger beroep aangevuld.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 19 februari 2002, waar appellante en haar gemachtigde - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G. van de Wal, werkzaam bij de gemeente Almere.


II. MOTIVERING


Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


Appellante heeft de Zweedse nationaliteit. Zij diende op 30 januari 1995 samen met [A.] (hierna: [A.]) een aanvraag om bijstand in bij gedaagde. Gedaagde kende uitsluitend aan [A.] met ingang van 1 februari 1995 uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) toe. Deze uitkering werd berekend naar de norm voor een eenoudergezin onder overweging dat appellante in Nederland verbleef zonder een geldige titel en zij niet in Nederland werd gedoogd door het hoofd van de vreemdelingendienst. De uitkering werd ingaande 1 oktober 1996 beëindigd.


Appellante en [A.] dienden een nieuwe aanvraag om bijstand in op 7 oktober 1996. Met ingang van die datum is aan [A.] uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend, berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder onder overweging dat appellante geen recht heeft op bijstand omdat zij niet over een verblijfsvergunning beschikt.


Bij brief van 13 februari 1998 heeft gedaagde appellante en [A.] in kennis gesteld van het volgende:

"Uit ter zake verricht onderzoek is gebleken, dat de heer [A.] gedurende vorengenoemde periode, waarin de uitkering is genoten, geen gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende rechtsplicht ex artikel 30 Abw (oud)/ 65 (nieuw) Abw, het bijstandsverlenende orgaan al datgeen wat van belang is voor de verlening van de bijstand of de voortzetting van verleende bijstand mededeling te doen. Uit dit onderzoek is gebleken dat gedurende vorengenoemde periode kon beschikken over een meer dan de bescheiden vrij te laten vermogen. Tevens is gebleken dat door mevrouw [appellante] inkomsten zijn genoten welke kenbaar hadden moeten worden gemaakt aan het bijstandverlenend orgaan.

Als gevolg hiervan heeft u gedurende deze periode geen recht gehad op een (volledige) uitkering op grond van de Rww/Abw volgens de aan u toegekende norm.

Om deze reden hebben wij besloten het recht op uitkering van de heer [A.] met terugwerkende kracht vanaf 30-01-1995 tot 01-02-1998 - met toepassing van artikel 69 derde lid Abw - te herzien.

Als gevolg van deze herziening van het recht op bijstand, heeft de heer [A.] een bedrag van f 75.989,96 bruto ten onrechte ontvangen (zie bijlage 1).

Op grond van art. 84 Abw is ook mevrouw [appellante] aansprakelijk voor de ten onrechte verstrekte bijstand.

Wij hebben besloten dit bedrag, met toepassing van art. 78 lid 1, 81 lid 1 en 84 Abw van u beiden terug te vorderen. U bent beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling.".


Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft gedaagde de namens appellante en [A.] ingediende bezwaren tegen de in voormelde brief van 13 februari 1998 vervatte besluiten ongegrond verklaard.


Tegen het besluit van 31 augustus 1998 hebben appellante en [A.] bij de rechtbank afzonderlijk beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 januari 1999 heeft de rechtbank het namens [A.] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. [A.] heeft tegen die uitspraak geen rechtsmiddel aangewend.

Bij uitspraak van 27 juli 1999 heeft de rechtbank het namens appellante tegen het besluit van 31 augustus 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard.


Appellante heeft zich in hoger beroep tegen die laatste uitspraak gekeerd. Zij heeft gesteld dat het recht op bijstand van [A.] ten onrechte is herzien en dat ten onrechte van [A.] en van haar is teruggevorderd. Zij heeft daarbij naar voren gebracht dat zij niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van de artikelen 81, eerste lid, en 84, eerste en derde lid, van de Abw, omdat de aan [A.] verleende bijstand gebaseerd is op artikel 32 van de Abw. Zij heeft voorts onder meer aangevoerd dat het horen is geschied in strijd met het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


De Raad ziet zich in deze gedingen ambtshalve gesteld voor de vraag of gedaagde appellante terecht heeft ontvangen in haar bezwaren voorzover deze gericht zijn tegen het besluit tot herziening (lees: intrekking) van de aan [A.] toegekende bijstandsuitkering en het besluit tot terugvordering van deze persoon. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend op grond van het volgende.


Gelet op het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van de gedingstukken staat vast dat gedaagde aan appellante als niet-rechthebbende partner geen bijstand heeft verleend, zodat zij niet kan worden aangemerkt als subject van de hier in geding zijnde bijstandsverlening. Dit brengt mee dat appellante niet kan worden beschouwd als een persoon met een bij het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A.] rechtstreeks betrokken belang. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 18 mei 1999, gepubliceerd in RSV 1999/213, merkt de Raad hierbij nog op dat de omstandigheid dat appellante hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de kosten van de aan [A.] verleende bijstand, niet meebrengt dat zij kan worden beschouwd als een persoon met een bij dat intrekkingsbesluit rechtstreeks betrokken belang.


Evenmin kan appellante worden beschouwd als een persoon met een bij het besluit tot terugvordering van [A.] rechtstreeks betrokken belang (vergelijk ook 's Raads uitspraak van 9 januari 2001, gepubliceerd in RSV 2001/73).

Zij is uitsluitend belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit om ten aanzien van haar tot terugvordering over te gaan.


Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellante niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard in haar bezwaren voorzover deze gericht zijn tegen het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A.] en het besluit tot terugvordering van deze persoon. De rechtbank heeft dit miskend, zodat de aangevallen uitspraak inzoverre niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het inleidend beroep van appellante in zoverre gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voorzover daarbij haar bezwaren tegen het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering van [A.] en het besluit tot terugvordering van [A.] ongegrond zijn verklaard. De Raad zal voorts met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de bezwaren van appellante in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.


Ook overigens kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven. Met betrekking tot het nu te bespreken besluit tot terugvordering van appellante is namelijk het volgende van belang.


Dit besluit ziet op kosten van aan [A.] toegekende bijstand over de periode van 30 januari 1995 tot 1 februari 1998 en is gebaseerd op artikel 84 van de Abw. De gemachtigde van gedaagde heeft ter zitting aangegeven dat dit terugvorderingsbesluit over het in geding zijnde tijdvak tot 1 januari 1996 had moeten worden gebaseerd op artikel 59a, eerste lid, van de ABW en vanaf 1 januari 1996 op artikel 84, eerste lid, van de Abw.


Ten aanzien van de strekking van artikel 59a, eerste lid, van de ABW is in de Memorie van Toelichting op de Wet van 15 april 1992, Stb. 193 (TK 1987-1988, 20 598, nr. 3, p. 14) onder meer opgemerkt:

"Aan gehuwden en aan degenen die een gezamenlijke huishouding voeren wordt de bijstand overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5 en 5a als een geheel vastgesteld. Daarbij wordt met de middelen van de tot het gezin of de gezamenlijke huishouding behorende personen rekening gehouden. Het rekening houden met de aanwezige middelen dient op overeenkomstige wijze te geschieden, indien met betrekking tot de ingevolge genoemde artikelen terugvordering aan de orde is. Dit betekent dat de terugvordering niet alleen gericht is op de persoon aan wie de bijstand is uitgekeerd, maar zich uitstrekt tot de personen, die in de bijstand bedoeld in de artikelen 5 en 5a zijn begrepen.".

Evenzo is ten aanzien van de strekking van artikel 84, eerste lid, van de Abw in de Memorie van Toelichting te lezen dat dit artikelonderdeel niet alleen gericht is op de persoon aan wie de bijstand is betaald, maar tevens op de personen die in de gezinsbijstand zijn begrepen (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 172).


Appellante was als niet-rechthebbende partner niet in de onderhavige aan [A.] verleende gezinsbijstand begrepen. De door gedaagde vastgestelde bijstandsnorm voor [A.] was er juist op gericht geweest om te voorkomen dat indirect aan appellante bijstand werd verleend (zie ook 's Raads uitspraak van 20 juni 1995, gepubliceerd in RSV 1995/293, en de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 32 van de Abw in Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 135). Zij is daarom niet aan te merken als betrokkene in de zin van artikel 59a, eerste lid, van de ABW, respectievelijk als belanghebbende in de zin van artikel 84, eerste lid, van de Abw.


Aangezien - naar ter zitting is erkend - de toepassing van artikelen 59a, tweede lid, van de ABW en 84, tweede lid, van de Abw (tekst tot 31 december 1998) in dit geval evenmin aan de orde kan zijn, betekent het vorenstaande dat het bestreden besluit, voorzover daarbij het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante is gehandhaafd, wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd.

De Raad acht het aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb tevens het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante te vernietigen.


Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven van appellante geen bespreking meer.


De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 322,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij ongegrond zijn verklaard de bezwaren van appellante tegen de besluiten tot intrekking van de aan [A.] verleende bijstand en tot terugvordering van laatstgenoemde;

Verklaart die bezwaren van appellante niet-ontvankelijk;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij is gehandhaafd het besluit van 13 februari 1998 tot terugvordering van appellante van kosten van aan [A.] verleende bijstand alsmede dat besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Almere;

Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 97,56 ( f 215,--) vergoedt.


Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 april 2002.


(get.) G.A.J. van den Hurk.


(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.