Centrale Raad van Beroep, 28-05-2002 / 01/168 WAO


ECLI:NL:CRVB:2002:AE5834

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-05-28
Publicatiedatum
2002-07-25
Zaaknummer
01/168 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • AB 2002, 329 met annotatie van F.J.L. Pennings
Uitspraak

01/168 WAO


U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellant], gevestigd te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.


Aan het geding heeft voorts deelgenomen:


[Werknemer], wonende te [woonplaats], hierna te noemen: werknemer


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Bij besluit van 27 april 1999 heeft gedaagde aan de werknemer, in aansluiting op de wettelijke wachttijd van 52 weken, met ingang van 11 mei 1999 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


Namens appellant heeft mr. J.P.M. Van Zijl, werkzaam in dienst van appellant, bij schrijven van 28 april 1999 tegen dat besluit bezwaar aangetekend.


Bij besluit van 16 augustus 1999 heeft gedaagde dat bezwaar primair niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond verklaard.

Bij schrijven van 27 september 1999 heeft appellant beroep doen instellen tegen het besluit van 16 augustus 1999 (hierna: het bestreden besluit).


De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 1 december 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.


Appellant heeft bij beroepschrift van 2 januari 2001 hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank.


Bij een op 4 maart 2001 gedagtekend schrijven heeft de werknemer desgevraagd kenbaar gemaakt dat zij aan het geding wenst deel te nemen. Voorts heeft de werknemer daarbij toestemming onthouden om haar medische gegevens aan appellant ter kennis te brengen.


De gronden waarop het hoger beroep berust zijn vanwege appellant aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 9 april 2001.


Gedaagde heeft bij schrijven van 13 juni 2001, voorzien van bijlagen, van verweer gediend.


De werknemer heeft bij brief van 6 juli 2001 en vervolgens bij verweerschriften van 31 augustus 2001, gebruik gemaakt van de haar in verband met artikel 8:43, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geboden gelegenheid tot het geven van een schriftelijke uiteenzetting over de zaak. Tevens heeft zij daarbij gereageerd op het verweerschrift van gedaagde.


Bij schrijven van 24 januari 2002 heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 juli 2001, nr. 00/3816 WAO, gepubliceerd in RSV 2001/205, aan appellant gevraagd of hij gebruik wenst te maken van de mogelijkheid om een gemachtigde aan te wijzen aan wie met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb de medische gegevens van de werknemer kunnen worden verstrekt.


Appellant heeft bij brief van 25 januari 2002, onder opgave van redenen, doen weten niet tot aanwijzing van een zodanige gemachtigde te zullen overgaan.


De Raad heeft appellant bij brief van 26 februari 2002 meegedeeld dat de persoonlijke levenssfeer van een ander - lees: de werknemer - onevenredig zou worden geschaad indien appellant zou kennis nemen van de in die brief nader aangeduide gedingstukken, in verband waarmee de Raad heeft bepaald dat kennisname van bedoelde gedingstukken met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb is voorbehouden aan een gemachtigde die arts of advocaat is dan wel daarvoor van de Raad bijzondere toestemming heeft verkregen, en dat die stukken derhalve niet aan appellant zullen worden toegezonden.


De werknemer heeft bij brief van 4 april 2002 en een daarbij gevoegd verweerschrift van gelijke datum, een aanvulling verstrekt op haar eerder vermelde schriftelijke uiteenzetting en verweerschriften.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 april 2002, waar appellant is verschenen bij mr. Van Zijl, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. van der Plas, werkzaam bij het Uwv. Tevens is de werknemer ter zitting verschenen.


II. MOTIVERING


De werknemer is sedert 1 oktober 1994 werkzaam als belastingadviseur in dienst van appellant. Nadat zij op 12 mei 1998 haar werkzaamheden wegens ziekte heeft moeten staken, heeft gedaagde bij besluit van 27 april 1999 ingaande 11 mei 1999 een uitkering toegekend aan de werknemer, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Gedaagde heeft van dit besluit tevens mededeling gedaan aan appellant in diens hoedanigheid van werkgever.


Appellant is van het besluit van 27 april 1999 in bezwaar gekomen bij brief van 28 april 1999. Met betrekking tot die bezwaarprocedure heeft de werknemer geen toestemming verleend om gegevens omtrent haar (sociaal-)medische toestand te verstrekken aan appellant. Voorts heeft appellant te kennen gegeven niet te zullen overgaan tot het aanstellen van een arts-gemachtigde, als bedoeld in artikel 88c van de WAO, onder verwijzing naar de in zijn brief van 28 april 1999 uiteengezette principiële bezwaren tegen evenvermelde wettelijke bepaling. Naar het oordeel van appellant is genoemde bepaling in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154, hierna: het EVRM).


Bij het bestreden besluit heeft gedaagde appellant primair niet-ontvankelijk verklaard in diens bezwaar, onder overweging dat hij geen gronden van medische aard heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn opvatting dat de toekenning van WAO-uitkering aan de werknemer onjuist is. Subsidiair heeft gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard, om reden dat - samengevat - in hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd geen grond is gelegen om geen toepassing te geven aan de artikelen 88a tot en met 88d en 88 f van de WAO, terwijl voorts naar het oordeel van gedaagde, gelet ook op de conclusie van gedaagdes bezwaarverzekeringsarts, de beperkingen van de werknemer juist zijn vastgesteld.


De werknemer heeft ook in beroep geen toestemming verleend haar medische gegevens aan appellant ter kennis te brengen. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, in de eerste plaats als haar oordeel uitgesproken dat nu appellant bezwaar heeft aangetekend tegen het ontbreken van een voor hem kenbare motivering van het besluit tot toekenning aan de werknemer van een WAO-uitkering, waarbij hij - ook door gedaagde - als belanghebbende werd beschouwd, terwijl voorts het bezwaar met diverse argumenten is onderbouwd, de enkele omstandigheid dat geen medisch-inhoudelijke gronden zijn aangevoerd geen niet-ontvankelijkheid van het bezwaar meebrengt. De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de wet.


Mede om redenen van proceseconomie heeft de rechtbank vervolgens wel appellants inhoudelijke grieven beoordeeld, en die grieven verworpen. Op de daartoe in de aangevallen uitspraak gegeven overwegingen - de Raad volstaat kortheidshalve met een verwijzing naar de aangevallen uitspraak - heeft de rechtbank zich niet kunnen verenigen met appellants zienswijze dat de rechtsgang met betrekking tot medische besluiten, als neergelegd in hoofdstuk VII, paragraaf 2, van de WAO, in het bijzonder de daarvan deel uitmakende, in artikel 88c van de WAO vervatte, regeling van de arts-gemachtigde die ter behartiging van de belangen van de werkgever in diens plaats treedt, in strijd is te achten met artikel 6 EVRM.


Onder overweging, ten slotte, dat appellant de rechtmatigheid van het bestreden besluit, waar het betreft de handhaving van de toekenning van een WAO-uitkering aan de werknemer en de daaraan ten grondslag liggende medische en arbeidskundige gegevens, niet gemotiveerd heeft betwist, kwam de rechtbank tot de slotsom dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven.


Appellant heeft, kort weergegeven, in hoger beroep zijn hiervoor weergegeven bezwaren van principiële aard tegen de medische besluitenregeling herhaald.


De Raad overweegt in de eerste plaats dat hij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit in primo van 27 april 1999 ten onrechte primair niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu appellant belanghebbende bij dat besluit is en zijn bezwaren tegen dat besluit genoegzaam heeft uiteengezet. Het ontbreken van medisch-inhoudelijke gronden voor de in bezwaar naar voren gebrachte opvatting van appellant dat ten onrechte aan de werknemer een WAO-uitkering is toegekend, rechtvaardigt ook naar het oordeel van de Raad geenszins de conclusie dat dat bezwaar niet-ontvankelijk is.


Niet kan de Raad zich evenwel verenigen met de gevolgtrekking die de rechtbank aan dit oordeel heeft verbonden, te weten het, onder gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit, in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Het primaire - in stand gelaten - rechtsgevolg van het bestreden besluit betreft immers nu juist de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. Reeds om deze reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.


Evenmin kan de aangevallen uitspraak op grond van het volgende in stand blijven.


In zijn in rubriek I vermelde uitspraak van 20 juli 2001 heeft de Raad blijk gegeven van zijn oordeel dat en waarom de medische besluitenregeling een schending oplevert van artikel 6 EVRM en dat wel aan de eisen van die bepaling wordt voldaan indien - artikel 88c en 88g van de WAO in zoverre buiten toepassing latend - in procedures in beroep en in hoger beroep door de administratieve rechter, met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb, wordt bepaald dat inzage in dan wel kennisneming of toezending van medische gegevens van de werknemer is voorbehouden aan een gemachtigde van de werkgever die arts of advocaat is dan wel daartoe van de rechter bijzondere toestemming heeft verkregen en dat deze gemachtigde(n) - voor zover het de medische aspecten betreft - in de plaats van de werkgever treden.


De Raad heeft ervan kennis genomen dat appellant zich ook in evenvermeld oordeel van de Raad niet kan vinden, maar ziet daarin geen aanleiding dat oordeel te verlaten, waarbij de Raad opmerkt dat de daartoe aangevoerde argumenten in essentie dezelfde zijn als de eerder aangevoerde argumenten die door de Raad in voormelde uitspraak reeds bij zijn oordeelsvorming zijn betrokken.


Voor het geval appellant ook in hoger beroep nog zijn eerder in de procedure naar voren gebrachte standpunt handhaaft dat ook gedaagde in het kader van de bezwaarprocedure de artikelen 88c en 88g van de WAO wegens strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM buiten toepassing diende te laten, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 13 februari 2002, gepubliceerd in USZ 2002/101, waarin is neergelegd dat een bestuursorgaan, anders dan de rechter, niet gehouden kan worden geacht om op grond van artikel 6 EVRM af te wijken van de medische besluitenregeling en met name van artikel 88c van de WAO, in het kader van de heroverweging in bezwaar van een eerder genomen besluit.


Aangezien het geding naar 's Raads oordeel, welk oordeel blijkens het verhandelde ter zitting door appellant op grond van met name proceseconomische overwegingen wordt onderschreven, geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, bestaat er geen aanleiding de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, maar zal de Raad deze zelf afdoen. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.


De werknemer heeft ter zitting van de Raad verklaard een nadere uiteenzetting te willen geven omtrent haar medische situatie, ter ondersteuning van haar standpunt dat aan haar terecht en op goede gronden door gedaagde een uitkering ingevolge de WAO is toegekend. Nadat appellant op verzoek van de Raad de zaal - onder het aantekenen van een formeel protest - had verlaten, heeft de werknemer bedoelde nadere toelichting verschaft. Gelet daarop en mede gezien de reeds beschikbare schriftelijke medische gegevens, is de Raad van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is, noch dat het inhoudelijk onjuist is. De Raad voegt daaraan toe dat, voor zover het ontbreken van inhoudelijke tegenargumenten van de zijde van appellant samenhangt met de weigering van appellant om gebruik te maken van de hem door de Raad geboden gelegenheid om met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Awb over te gaan tot het aanstellen van een gemachtigde aan wie medische gegevens omtrent de werknemer kunnen worden verstrekt, de gevolgen van die keuze voor rekening van appellant dienen te blijven.


De Raad acht geen termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten nu mr. van Zijl ten opzichte van appellant niet kan worden aangemerkt als een derde die rechtsbijstand heeft verleend in de zin van artikel 1 in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Ook de veroordeling in de proceskosten door de rechtbank met toepassing van artikel 8:75 heeft om die reden ten onrechte plaatsgevonden.


Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.


De Raad beslist als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is beslist omtrent het griffierecht;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover dat is gericht tegen de daarin als primaire grond opgenomen niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar en vernietigt het bestreden besluit in zoverre;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voor het overige ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 306,30 vergoedt.


Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2002.


(get.) K.J.S. Spaas.


(get.) M.H.A. Jenniskens.