Centrale Raad van Beroep, 25-04-2002 / 99/6074 MAW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE5910

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-04-25
Publicatiedatum
2002-08-06
Zaaknummer
99/6074 MAW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2002/124
Uitspraak

99/6074 MAW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[A.], wonende te [B.], appellant,


en


de Kroon, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Defensie (verder: de Staatssecretaris), gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 november 1999, nr. AWB 99/06089 MAWKLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 14 maart 2002, waar namens appellant zijn verschenen mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk en [C.], partner van appellant. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Beijer, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.



II. MOTIVERING


1. Appellant is van 26 januari 1990 tot en met 31 december 1995 aangesteld geweest als beroepsmilitair voor bepaalde tijd bij de Koninklijke luchtmacht en werkzaam geweest als [X.].

Na een verzoek van appellant dienaangaande is hij bij koninklijk besluit van 28 mei 1998 met ingang van 1 juni 1998 (opnieuw) aangesteld bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd in de rang van eerste luitenant met een proeftijd van zes maanden. Bij brief van 25 november 1998 is appellant ervan in kennis gesteld dat hij bij Hare Majesteit de Koningin zal worden voorgedragen voor ontslag op grond van artikel 39, zevende lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) met ingang van 1 januari 1999. Namens appellant is op 15 december 1998 een bezwaarschrift ingediend.

Bij koninklijk besluit van 11 december 1998, aan appellant toegezonden bij brief van 23 december 1998, is aan appellant op de hiervoor aangegeven grond ontslag verleend met ingang van 1 januari 1999.

Bij het bestreden besluit van gedaagde van 8 juli 1999 is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.


1.1. De rechtbank heeft het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hierbij is onder meer het volgende overwogen:


"Aan eiser is ontslag verleend met toepassing van het zevende lid van artikel 39 van het AMAR, dat als volgt luidt:

'Aan de militair voor wie na de aanstelling een proeftijd geldt, kan tijdens die proeftijd ontslag worden verleend zonder toepassing van één van de in het tweede lid genoemde ontslaggronden'.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het ontslag in strijd met dit artikel is verleend, omdat het is ingegaan op een datum, gelegen na afloop van de proeftijd. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 oktober 1986, TAR 1987, 6.

De rechtbank overweegt met betrekking tot deze beroepsgrond dat het besluit tot ontslagverlening in het onderhavige geval is genomen vóór 1 december 1998, datum waarop de proeftijd eindigde. Na de verzending van dit besluit van 25 november 1998 kon reeds tegen de ontslagverlening in rechte worden opgekomen, hetgeen eiser ook heeft gedaan. Het bezwaarschrift van eiser is immers niet ingediend naar aanleiding van de ontslagbrief van 23 december 1998, waarbij het Koninklijk Besluit tot verlening van ontslag aan hem werd toegezonden, maar naar aanleiding van het besluit van 25 november 1998. Het is thans ook vaste jurisprudentie dat het voorstel tot verlening van ontslag en het (Koninklijk) ontslagbesluit onverbrekelijk samenhangen en als één geheel kunnen worden beschouwd. Hiervan uitgaande kan derhalve, anders dan door de Centrale Raad in genoemde uitspraak werd vastgesteld, worden gezegd dat het besluit tot ontslag van eiser nog tijdens de proeftijd van eiser tot stand is gekomen.

Met betrekking tot de hiervoor genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep merkt de rechtbank nog op dat, zoals ook terecht door verweerder naar voren is gebracht, de situatie niet geheel gelijk was aan de situatie, die thans voorligt. Immers, bij de kennisgeving van het ontslag, voorafgaande aan het formele ontslagbesluit, was in dat geval niet aangegeven op welke grond het ontslag zou worden verleend. In dat geval was de ontslaggrond op het moment dat het ontslag inging zelfs nog niet aan de betrokken militair medegedeeld, omdat de ingangsdatum van het ontslag werd vastgesteld op een eerdere datum dan de dagtekening van het - formele - ontslagbesluit.

Voorts overweegt de rechtbank dat de bewoordingen van artikel 39, zevende lid AMAR, niet dwingen tot de opvatting dat het ontslag dient in te gaan tijdens de proeftijd. Hierbij merkt de rechtbank op dat, hoewel in de casus van meergenoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep de ingangsdatum van het ontslag gelegen was na ommekomst van de proeftijd, dit niet heeft geleid tot een overweging van die Raad dat het besluit ook om die reden niet kon worden gebaseerd op artikel 37, zevende lid, (destijds: zesde lid) van het AMAR.

Ingevolge het bepaalde in artikel 47, derde lid, van het AMAR gaat een ontslag op grond van artikel 39, zevende lid, AMAR niet eerder in dan nadat tenminste een maand is verstreken sedert het tijdstip waarop de militair van het voorstel tot ontslagverlening schriftelijk in kennis is gesteld. Aan dit voorschrift is in het onderhavige geval voldaan.

De rechtbank is op bovenstaande gronden tot de slotsom gekomen dat de formele bezwaren, die eiser in zijn beroepschrift naar voren heeft gebracht, niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit."


2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de overigens in dit geding voorhanden zijnde gegevens overweegt de Raad als volgt.


2.1. Allereerst overweegt de Raad dat het namens appellant op 15 december 1998 tegen het ontslagbesluit gemaakte bezwaar weliswaar prematuur is, maar dat niet-ontvankelijk-verklaring op grond daarvan ingevolge artikel 6:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) achterwege kan blijven, nu het ontslagbesluit ten tijde van de indiening van dit bezwaarschrift wel reeds tot stand was gekomen.


2.2. De Raad kan de rechtbank niet volgen in het oordeel dat het ontslagbesluit in het onderhavige geval is genomen vóór 1 december 1998, de datum waarop de proeftijd eindigde. De aankondiging door de Staatssecretaris op 25 november 1998 dat appellant zal worden voorgedragen voor ontslag acht de Raad hiertoe niet voldoende. Dat de Raad bij de beoordeling van prematuur gemaakt bezwaar in gevallen als de onderhavige ter sauvering van rechten een bezwaar tegen de voordracht mede gericht acht tegen het later genomen ontslagbesluit, brengt niet met zich mee dat een door gedaagde na de proeftijd genomen ontslagbesluit, ten nadele van de ambtenaar, als tijdens de proeftijd genomen kan worden aangemerkt. Voorzover op grond van een vóór het einde van de proeftijd door de Staatssecretaris gedane voordracht wellicht wel tot een tijdig genomen ontslagbesluit zou kunnen worden geconcludeerd, is hiervan in het onderhavige geval ook geen sprake. Blijkens het koninklijk besluit van 11 december 1998 is de voordracht tot het ontslag door de Staatssecretaris gedaan op 2 december 1998, dus is ook deze voordracht niet vóór het einde van de proeftijd gedaan.


3. Gezien het vorenstaande komen de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, vierde lid, van de Awb het primaire ontslagbesluit te vernietigen. De Raad acht tenslotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep ten bedrage van € 1.288,-.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit alsmede het primaire besluit van 11 december 1998;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 256,39 (f 225,- en f 340,-) vergoedt.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 april 2002.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) C. Dierdorp.


HD.Q