Centrale Raad van Beroep, 24-04-2002 / 99/5926 WW + 99/6184 WW


ECLI:NL:CRVB:2002:AE6257

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-04-24
Publicatiedatum
2002-08-07
Zaaknummer
99/5926 WW + 99/6184 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2002, 194
  • USZ 2002/224
Uitspraak

99/5926 WW

99/6184 WW



U I T S P R A A K



in de gedingen tussen:


[appellante 1], wonende te [woonplaats], en

[appellante 2], wonende te [woonplaats 2], appellanten,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur werk en inkomen treedt in dit geding de (Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Namens appellanten heeft mr. ir. J.L. Mieras, werkzaam bij Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te Goes, op bij onderscheiden beroepschriften aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen door de rechtbank Middelburg op 5 november 1999 afzonderlijk tussen partijen gewezen uitspraken, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft verweerschriften ingediend.


Namens appellanten heeft mr. ir. Mieras, voornoemd, bij brief van 22 november 2001 vragen van de Raad beantwoord.


Gedaagde heeft naar aanleiding hiervan desgevraagd bij brief van 29 november 2001 gereageerd.


Vervolgens heeft de Raad bij schrijven van 1 februari 2002 aan gedaagde vragen gesteld, waarop gedaagde bij brieven van 26 en 27 februari 2002 (met bijlagen) heeft geantwoord.


De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 13 maart 2002, waar voor appellanten is verschenen mr. ir. Mieras, voornoemd, terwijl gedaagde - daartoe ambtshalve opgeroepen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg, werkzaam bij het Uwv.



II. MOTIVERING


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.


Appellanten zijn vanaf eind april 1998 respectievelijk half mei 1998 tot 24 november 1998 respectievelijk 2 november 1998 op uitzendbasis als tuinbouwmedewerkster werkzaam geweest bij een glastuinbouwbedrijf waar zogeheten grootbloemige anjers worden gekweekt. Appellanten waren belast met de verzorging en de oogst van de anjers.


Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft gedaagde bij besluiten van 18 respectievelijk 14 januari 1999 besloten dat appellanten niet voor uitkering in aanmerking komen. Hierbij is overwogen dat appellanten in de referteperiode van 39 weken niet gedurende tenminste 26 weken werkzaamheden als werknemer hebben verricht, zodat zij niet voldoen aan die voorwaarde voor het recht op werkloosheidsuitkering.


In de tegen deze besluiten ingediende bezwaarschriften hebben appellanten doen aanvoeren dat de door hen verrichte werkzaamheden zijn aan te merken als "agrarische werkzaamheden in het algemeen" zoals bedoeld in artikel 2 van het Besluit verlaagde wekeneis van 10 december 1987, Stb. 1987,633 (hierna: het Besluit), in welk geval een vereiste geldt van ten minste 16 gewerkte weken waaraan zij wel hebben voldaan.


Gedaagde heeft bij besluiten van 12 april 1999 die bezwaren ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daartoe -samengevat- overwogen dat het Besluit een lijst bevat met limitatief opgesomde werkzaamheden die zowel naar aard als omvang restrictief moeten worden uitgelegd. Het kweken en oogsten van anjers kan niet worden gerekend te behoren tot agrarische werkzaamheden als bedoeld in het Besluit en deze werkzaamheden in de snijbloementeelt zijn ook niet in een van de overige in het Besluit opgenomen categorieën onder te brengen.


De rechtbank heeft de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 12 april 1999 ongegrond verklaard. Ook de rechtbank is van oordeel dat de in geding zijnde werkzaamheden ten behoeve van de anjerteelt niet kunnen worden gerangschikt onder het begrip agrarische arbeid in het algemeen. Gedaagde heeft, aldus de rechtbank, dan ook terecht geoordeeld dat appellanten geen aanspraak aan de WW kunnen ontlenen.


Appellanten hebben in hoger beroep in gelijkluidende beroepschriften doen aanvoeren dat de door hen verrichte werkzaamheden wel degelijk zijn te beschouwen als agrarische arbeid in het algemeen zoals bedoeld in het Besluit. Agrarische werkzaamheden omvatten naar hun opvatting mede tuinbouwwerkzaamheden.


De Raad overweegt het volgende.


Niet betwist is, en ook voor de Raad staat vast, dat appellanten niet voldoen aan de referte-eis als bedoeld in artikel 17, aanhef en onder a, van de WW, te weten dat in 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van de werkloosheid in ten minste 26 weken werkzaamheden als werknemer zijn verricht. Artikel 17a, derde lid, van de WW bepaalt dat voor bepaalde groepen werknemers het in artikel 17, onder a, van de WW bedoelde aantal van 26 weken lager kan worden gesteld.


Artikel 2, eerste lid in samenhang met het derde lid, onder a, van het Besluit bepaalt dat het aantal weken, bedoeld in artikel 17, onderdeel a, van de WW waarin tenminste als werknemer arbeid moet zijn verricht, wordt gesteld op 16 ten aanzien van een werknemer die agrarische arbeid in het algemeen heeft verricht voor zover die arbeid naar zijn aard slechts beschikbaar is gedurende een of meer jaarlijks terugkerende perioden.


Niet in geschil is dat appellanten, indien zij zouden vallen onder het bereik van het Besluit, met ingang van 24 november 1998 respectievelijk 2 november 1998 in aanmerking komen voor een uitkering ingevolge de WW nu zij hebben voldaan aan de overige voor het ontstaan van een WW-uitkering geldende voorwaarden.


Uit de in rubriek I van deze uitspraak genoemde brief van gedaagde d.d. 26 februari 2002 leidt de Raad af dat gedaagde zich thans niet langer op het standpunt stelt dat de door appellanten verrichte werkzaamheden niet kunnen worden beschouwd als agrarische werkzaamheden in het algemeen als bedoeld in artikel 3, onder a, van het Besluit. Ter zitting van de Raad is namens gedaagde zulks desgevraagd bevestigd.

Wel is gedaagde van oordeel dat de werkzaamheden van appellanten niet kunnen worden aangemerkt als arbeid die naar zijn aard slechts beschikbaar is gedurende een of meer jaarlijks terugkerende perioden, zodat appellanten om deze reden niet onder het bereik van het Besluit vallen.


Nu gedaagde de grondslag van de besluiten van 12 april 1999 niet meer handhaaft, berusten deze besluiten niet langer op een deugdelijke motivering en moeten deze besluiten wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd.


Vervolgens zal de Raad de vraag bezien of er voldoende termen bestaan om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel of gedeeltelijk in stand te laten.


Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of er termen bestaan de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten van 12 april 1999 in stand te laten, is naar het oordeel van de Raad slechts aanleiding indien de door appellanten uitgeoefende werkzaamheden -die ook in de opvatting van de Raad moeten worden aangemerkt als behorende tot "agrarische arbeid in het algemeen"- tevens worden beschouwd als "arbeid die naar zijn aard slechts beschikbaar is gedurende een of meer jaarlijks terugkerende perioden".


Gedaagde meent dat dit laatste niet het geval is en baseert zich hiertoe blijkens zijn eerdergenoemde brief van 26 februari 2002 op gegevens die naar aanleiding van de brief van 1 februari 2002 van de Raad zijn ingewonnen bij onder meer de toenmalige uitvoeringsinstelling GUO te Den Haag (hierna: GUO Den Haag), twee bloementeeltbedrijven en het Productschap voor de Tuinbouw.


De Raad merkt allereerst op dat appellanten, omdat zij ten tijde hier van belang werkzaam waren via een uitzendbureau, voor de behandeling van hun aanvraag om uitkering ingevolge de WW waren aangewezen op de toenmalige uitvoeringsinstelling GAK (hierna: GAK) en niet op de de toenmalige uitvoeringsinstelling GUO (hierna: GUO) die in beginsel belast is met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten voor werknemers in de agrarische sector.

Het GAK, zo is ter zitting desgevraagd verklaard, heeft niet voorafgaande aan de primaire besluiten contact gezocht met GUO over de vraag of in het geval van appellanten al dan niet is voldaan aan de voorwaarden van het Besluit om in aanmerking te komen voor de verlaagde wekeneis.


De Raad constateert voorts dat niet is komen vast te staan dat gedaagde in zijn vraagstelling aan genoemde instellingen er van is uitgegaan en heeft aangegeven dat appellanten werkzaam waren in een glastuinbouwbedrijf waar uitsluitend grootbloemige anjers worden gekweekt.

GUO Den Haag is blijkens de gedingstukken van opvatting dat werkzaamheden in de verwarmde glastuinbouw niet voldoen aan het begrip "op klimatologische gronden seizoensgebonden werkzaamheden". Voor de inhoud van het begrip "arbeid die naar zijn aard slechts beschikbaar is gedurende een of meer jaarlijks terugkerende perioden", als bedoeld in artikel 3, onder a, van het Besluit, heeft GUO Den Haag zich evenwel gebaseerd op de omschrijving zoals die voorkomt in artikel 4b, zesde lid, van het op artikel 16 van de WW gebaseerde Besluit gelijkstelling uren van 18 december 1986, Stcrt. 1986, 248 en 1987,45, zoals dat artikel sinds 1 maart 2001 luidt, zodat ten minste de vraag kan worden gesteld of GUO Den Haag bij de beantwoording van de door gedaagde gestelde vragen wel is uitgegaan van het juiste criterium.


De Raad merkt verder op dat de opvatting van GUO Den Haag niet in overeenstemming is met het standpunt van het hoofdkantoor van GUO te Gouda (hierna: GUO Gouda), waaraan gedaagde naar aanleiding van vragen van de Raad eveneens informatie heeft verzocht, zoals blijkt uit de bijlage die is gevoegd bij de meergenoemde brief van gedaagde d.d. 26 februari 2002. GUO Gouda past in het kader van het Besluit verlaagde wekeneis op werkzaamheden in de glastuinbouw (zoals anjerteelt) onder voorwaarden de 16 wekeneis toe. Onder verwijzing naar een interne richtlijn merkt GUO Gouda op dat de betrokken werknemer tijdens de referteperiode voor meer dan 50% agrarische arbeid moet hebben verricht in een los dienstverband, waarbij alle tijdelijke dienstverbanden als los worden aangemerkt.


Gelet op bovenstaande onduidelijkheden acht de Raad het in dit geval niet aangewezen de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel of gedeeltelijk in stand te laten.


De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten.

Met toepassing van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten in de beide zaken begroot op in totaal € 322,-- als kosten van in eerste aanleg verleende rechtsbijstand en € 805-- als kosten van in hoger beroep verleende rechtsbijstand.


Derhalve moet als volgt worden beslist.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraken en de besluiten op bezwaar van 12 april 1999;

Verstaat dat gedaagde alsnog nadere besluiten op bezwaar zal nemen met in achtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,-- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,--;

Bepaalt dat gedaagde aan ieder van appellanten het door hen betaalde recht van € 77,14 vergoedt.



Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002.


(get.) M.A. Hoogeveen


(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning


FB/01/05/02