Centrale Raad van Beroep, 18-04-2002 / 99/5141 WUV


ECLI:NL:CRVB:2002:AE6884

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-04-18
Publicatiedatum
2002-09-16
Zaaknummer
99/5141 WUV


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

99/5141 WUV



U I T S P R A A K



in het geding tussen


[A.], wonende te [B.] (Israël), eiser,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 31 augustus 1999, kenmerk D 8299/BZ 37945/99/0722, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In zijn beroepschrift is uiteengezet waarom eiser het met het bestreden besluit niet eens is.


Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 7 maart 2002, waar eiser niet is verschenen en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.



II. MOTIVERING


Bij besluit van 18 januari 1979 is eiser, geboren [in] 1935, erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Bij dat besluit is - voor zover hier van belang - tevens vastgesteld dat eiser ziekten of gebreken heeft die door of in verband met de ondergane vervolging zijn ontstaan of verergerd, maar dat hij door die ziekten of gebreken niet buiten staat was door arbeid een inkomen te verwerven gelijk aan de voor hem geldende grondslag als bedoeld in artikel 8 van de Wet.


Op 11 juli 1998 heeft eiser onder meer verzocht hem een periodieke uitkering in de zin van de Wet toe te kennen.


Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster haar door eiser aangevochten besluit van 16 februari 1999 om eiser met ingang van 1 juli 1998 een periodieke uitkering in het kader van de Wet toe te kennen, gerekend naar het tijdstip waarop de uitkering ingaat berekend naar de minimumgrondslag ad f 3.214,- per maand, gehandhaafd. Verweerster heeft daarbij vermeld dat die grondslagvaststelling - anders dan in het besluit van 16 februari 1999 was vermeld - diende te worden berekend met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de Wet. Op grond van het nader advies van haar geneeskundig adviseur is verweerster van mening gebleven dat eisers psychische klachten, welke voortvloeien uit de vervolging, in 1998 invaliderend tot uiting zijn gekomen in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet. Verweerster heeft daartoe overwogen dat er geen objectieve medische gegevens voorhanden zijn waaruit zou kunnen blijken dat evenbedoelde ziekten of gebreken reeds eerder dan 1998 invaliderend tot uiting zijn gekomen.


In beroep heeft eiser erop gewezen dat verweerster door in het besluit van 16 februari 1999 niet de juiste grondslag van haar beslissing te vermelden, eiser de mogelijkheid heeft ontnomen om in bezwaar argumenten daartegen aan te voeren. Eiser heeft voorts bezwaren geuit tegen de hoogte van de voor hem vastgestelde grondslag.


De Raad overweegt het volgende.


Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in de weg staat aan handhaving van een afwijzend besluit op een andere wettelijke grondslag dan die waarop dat besluit steunt. In de omstandigheid dat verweerster in het bestreden besluit de vermelding over de bij de vaststelling van de voor eiser geldende grondslag toegepaste wettelijke bepaling heeft gecorrigeerd, ziet de Raad dan ook geen grond gelegen het bestreden besluit niet in stand te laten.


De bezwaren van eiser tegen de door verweerster voor hem vastgestelde grondslag hebben enerzijds betrekking op het door verweerster gehanteerde peiljaar en anderzijds op verweersters standpunt dat eiser ten tijde van zijn aanvraag om periodieke uitkering niet was aangewezen op arbeid in beroep of bedrijf. Met beroep op het rapport van verweersters medisch adviseur M.J. Seijffers, arts, en informatie van zijn behandelend artsen, vordert eiser dat de grondslag van zijn periodieke uitkering wordt bepaald uitgaande van 1979 dan wel 1993/1994 als tijdstip waarop zijn causale klachten invaliderend tot uiting zijn gekomen. De juistheid van het standpunt van verweerster dat eiser ten tijde van zijn aanvraag om periodieke uitkering niet was aangewezen op arbeid in beroep of bedrijf, heeft eiser bestreden onder verwijzing naar zijn financiële situatie en naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 1994 geregistreerd onder nummer WUV 1993/176.


Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet heeft recht op een uitkering de vervolgde, die wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, buiten staat is een inkomen te verwerven dat gelijk is aan de ingevolge artikel 8 van de Wet vastgestelde grondslag.


Ingevolge artikel 8, tweede lid, van de Wet wordt - voor zover hier van belang - de grondslag van de periodieke uitkering vastgesteld naar het inkomen uit beroep of bedrijf dat de vervolgde, al naar gelang voor hem het gunstigst is, ten tijde van de aanvraag zou hebben genoten uit het laatstelijk door hem uitgeoefende beroep of bedrijf dan wel uit het laatstelijk voor het tot uiting komen van de ziekten of gebreken, of verergering daarvan, uitgeoefend beroep of bedrijf.


Artikel 8, vijfde lid, van de Wet bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de vervolgde ten tijde van het tot uiting komen van de ziekten of gebreken, of de verergering daarvan, niet was aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep of bedrijf, de grondslag wordt vastgesteld op het van toepassing zijnde bedrag genoemd in het achtste lid van dat artikel: de zogenoemde minimumgrondslag.


Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt dat de bij eiser als causaal aanvaarde psychische klachten eerst in 1998 invaliderend tot uiting zijn gekomen, is in overeen-stemming met het advies van de adviserend geneeskundigen P. Windels en R. Loonstein. Na kennisneming van het advies van verweersters medisch adviseur M.J. Seijffers, arts, van 8 december 1998, hebben verweersters adviserend geneeskundigen Windels en Loonstein respectievelijk op 28 december 1998 en 26 augustus 1999 geoordeeld dat geen objectieve medische gegevens aanwezig zijn waarop de vaststelling van een eerder peiljaar dan het jaar van aanvraag kan worden gebaseerd.


Verweersters adviserend geneeskundigen Windels en Loonstein zijn met hun advies afgeweken van het advies van voornoemde arts Seijffers. Deze heeft in zijn rapport, waarbij hij van eisers behandelend artsen ontvangen informatie heeft betrokken, vermeld dat twee periodes van aanwijsbaar verminderd verdienvermogen zijn aan te wijzen: de periode van 1972 tot 1979 en de periode 1993/1994. De oorzaak van het verlies aan verdienvermogen in eerstvermelde periode ziet Seijffers gelegen in de, uit de door hem als zeer duidelijk en betrouwbaar gekwalificeerde anamnese blijkende insomnia. Wat betreft de periode van 1993/1994 oordeelt Seijffers dat eisers handelwijze in die periode (het niet opkomen voor zijn financiële rechten en zijn 'vlucht' naar Polen) niet strookt met het beeld van de man die een van de grootste veeteeltbedrijven in Israël opbouwde.


Wat betreft de periode van 1972 tot 1979 is de Raad van oordeel dat reeds het gegeven dat deze periode is gevolgd door een geruim aantal jaren waarin geen sprake was van door causale klachten veroorzaakt verlies aan verdienvermogen, eraan in de weg staat die periode in beschouwing te nemen voor de vaststelling van de grondslag.


Met betrekking tot de tweede door Seijffers genoemde periode, de periode 1993/1994, acht de Raad de door verweerster gevolgde motivering van de geneeskundig adviseurs Windels en Loonstein dat geen objectieve medische gegevens aanwezig zijn waarop de vaststelling van een eerder peiljaar dan het jaar van aanvraag kan worden gebaseerd, onvoldoende om op dit punt van het advies van Seijffers af te wijken. Evenbedoelde redengeving, die aan de orde kan zijn in situaties waarin - al dan niet in het kader van een verzoek om herziening - een oordeel moet worden gegeven over een in het verdere verleden gelegen, beweerdelijk tijdstip van invalidering, oordeelt de Raad in het onderhavige geval niet draagkrachtig. In een geval als het onderhavige kan en mag verweerster naar het oordeel van de Raad een door haar medisch adviseur uitgebracht advies, eerst terzijde stellen op basis van een medisch inhoudelijk voldoende onderbouwd, andersluidend oordeel van een arts.


Uit het voorgaande volgt dat het in het bestreden besluit neergelegde standpunt met betrekking tot het ten aanzien van eiser gehanteerde peiljaar een deugdelijke motivering ontbeert. De Raad is van oordeel dat dit besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan worden gelaten. Verweerster dient over het ten aanzien van eiser te hanteren peiljaar opnieuw een beslissing op bezwaar te nemen. Nu niet is uitgesloten dat in het kader van deze nadere besluitvorming 1998 niet als het voor eiser geldende peiljaar wordt aangemerkt, kan en zal de Raad bespreking van eisers grieven tegen verweersters standpunt dat artikel 8, vijfde lid, van de Wet van toepassing is, achterwege laten.


De Raad acht geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiser.


Beslist wordt dan ook als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiser het betaalde griffierecht ad € 27,23 vergoedt.


Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2002.


(get.) W.D.M. van Diepenbeek.


(get.) E. Heemsbergen.


HD

29.03