Centrale Raad van Beroep, 12-04-2002 / 99/791 WUV + 99/793 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2002:AE6998

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-04-12
Publicatiedatum
2002-09-16
Zaaknummer
99/791 WUV + 99/793 WUBO



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


99/791 WUV + 99/793 WUBO



U I T S P R A A K



in de gedingen tussen:



de erven van thans wijlen [naam], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], eisers,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster 1,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster 2.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Onder dagtekening 31 december 1998, nummer A 76520/BZ 34912/98/1449, heeft verweerster 1 ten aanzien van thans wijlen [naam] een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (verder te noemen: de WUV).


Verweerster 2 heeft eveneens onder dagtekening 31 december 1998, nummer 0303755/BZ70/98/528, ten aanzien van thans wijlen [naam] een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (verder te noemen: de WUBO).


Tegen beide besluiten heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, als gemachtigde van thans wijlen [naam] bij de Raad beroep ingesteld. In aanvullende beroepschriften zijn de gronden van de beroepen uiteengezet.


[naam] is [in] 1999 overleden, waarna de gedingen ten name van eisers zijn voortgezet.


Verweersters hebben elk voor zich een verweerschrift ingediend.


De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 1 maart 2002. Daar zijn eisers verschenen bij hun gemachtigde mr. drs. Lamphen voornoemd, terwijl verweersters zich hebben doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld.



II. MOTIVERING


1. De Raad neemt op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de navolgende feiten en omstandigheden als vaststaande aan.


1.1. Thans wijlen [naam] (verder: betrokkene), die in 1938 te Magelang in het voormalig Nederlands-Indië werd geboren, heeft in oktober 1994 bij verweersters een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de WUV respectievelijk als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de WUBO. Daarbij gaf hij aan te lijden aan psychische klachten ten gevolge van hetgeen hij tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië en (inzake de WUBO tevens) tijdens de zogeheten Bersiap-periode had moeten meemaken. Daarvan was de kern dat betrokkene in 1942 getuige ervan was geweest dat zijn vader, nadat deze van het front naar huis was teruggekeerd, door leden van de bezettende macht was opgehaald en nadien om het leven is gekomen. Ten tijde van zijn aanvragen was betrokkene niet meer werkzaam; hij had in 1993 wegens functioneel leeftijdsontslag de militaire dienst verlaten.


1.2. Verweerster 1 heeft bij een besluit van 12 september 1995 de aanvraag in het kader van de WUV van betrokkene afgewezen; overwogen werd dat betrokkene geen ziekten of gebreken had die in overwegende mate verband houden met de vervolging van zijn vader.


1.3. Verweerster 2 heeft bij besluit van 22 september 1995 de aanvraag van betrokkene in het kader van de WUBO afgewezen. Naar haar oordeel viel het getuige zijn van het wegvoeren van de vader en zijn overlijden voor betrokkene niet onder het bereik van de WUBO; de calamiteiten die voor betrokkene wel onder dat bereik vielen, zijnde de internering in De Wijk te Malang en de evacuatie naar Solo, beide tijdens de Bersiap-periode, brachten naar de opvatting van verweerster 2 bij betrokkene geen lichamelijk of psychisch letsel teweeg, leidend tot blijvende invaliditeit in de zin van de WUBO.


1.4. Tegen de onder 1.2 en 1.3 genoemde besluiten heeft betrokkene geen bezwaar gemaakt. Hierna heeft mr. drs. Lamphen als zijn gemachtigde in oktober 1996 respectievelijk november 1996 aan verweerster 1 respectievelijk verweerster 2 verzocht om herzieningen van beide besluiten. Daarbij is in het bijzonder aandacht gevraagd voor de invloed die het getuige zijn geweest van het wegvoeren van de vader op de psychische gezondheidstoestand van betrokkene heeft.


1.5. Verweersters hebben de verzoeken van betrokkene afgewezen; verweerster 1 bij besluit van 27 maart 1997 en verweerster 2 bij besluit van 23 mei 1997. Bij de motivering van beide besluiten speelde een rapport d.d. 17 februari 1997 van de psychiater J.D.J. Tilanus te Eindhoven, desgevraagd inzake betrokkene aan verweerster 1 uitgebracht, een beslissende rol. Van dat rapport was de belangrijkste conclusie dat bij betrokkene een normaal toestandsbeeld in psychiatrische zin aanwezig is.


1.6. Namens betrokkene heeft mr. drs. Lamphen tegen beide besluiten bezwaar gemaakt. Ter onderbouwing van de bezwaren is een rapport d.d. 10 september 1997 van de psychiater A.A. van Loon te Breda ingebracht, waarin de resultaten waren vervat van het onderzoek waaraan betrokkene in augustus 1997 was onderworpen; in dit rapport werd tot uitdrukking gebracht, kort gezegd, dat betrokkene in ernstige mate psychiatrisch beschadigd was ten gevolge van het wegvoeren van zijn vader.


1.7. Verweersters hebben het onder 1.6 genoemde rapport ter commentaar voorgelegd aan de psychiater Tilanus voornoemd. In een brief d.d. 22 december 1997 is deze psychiater bij zijn rapport van 17 februari 1997 gebleven. Vervolgens hebben verweersters de psychiater G.C. Zwartjes te Tilburg benaderd teneinde de, ten gevolge van de niet met elkaar in overeenstemming zijnde conclusies van de psychiaters Tilanus en Van Loon bestaande, impasse op te heffen. Tot een onderzoek door de psychiater Zwartjes is het niet gekomen omdat betrokkene door een hersenbloeding werd getroffen.


1.8. Verweersters hebben daarna diepgaand met elkaar over de kwestie overlegd. Inmiddels had verweerster 2 de bij haar bestaande richtlijnen inzake het begrip sequentiële oorlogstraumatisering (SOT) dat bij de medische beoordeling van de causaliteit inzake psychisch letsel een rol speelt, uitgebreid; aanvaard werd, samengevat en ontdaan van nuances, dat het getuige zijn van het wegvoeren van een ouder of ouders tijdens de oorlogsjaren bij de medische beoordeling van een aanvrager die in 1927 of later is geboren, ook wordt meegewogen als een dergelijke calamiteit in de tijd voorafgaat aan geverifieerde, wel onder het bereik van de WUBO vallende oorlogsgebeurtenissen; bepaald werd dat deze uitbreiding van de richtlijnen ingaat op 1 juli 1998. Verweersters hebben uiteindelijk het standpunt ingenomen dat de verzoeken om herziening namens betrokkene behoren te worden ingewilligd.


1.9. Verweerster 1 heeft bij besluit van 31 december 1998 betrokkene met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de WUV met de vervolgde gelijkgesteld wegens psychische klachten die redelijkerwijs voortvloeien uit het omkomen van de vader ten gevolge van de vervolging en hem met ingang van 1 augustus 1997 tot 1 juli 1998 een periodieke uitkering ingevolge de WUV verleend, naar een grondslag die met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de WUV op het minimum is bepaald, en hem over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 juli 1998 een vergoeding ter zake van de kosten van huishoudelijke hulp eenmaal per week een halve dag toegekend; afgewezen zijn de bij herziening gevraagde bijzondere voorzieningen ter zake van extra vakantie en vervoer voor het onderhouden van sociale contacten. Verweerster 1 heeft voor de ingangsdatum 1 augustus 1997 gekozen omdat in die maand het onderzoek door de psychiater Van Loon had plaatsgevonden en heeft, op gezag van een medisch adviseur, het rapport van deze psychiater in samenhang met het rapport van de psychiater Tilanus zo uitgelegd dat betrokkene eerst ten tijde van dat onderzoek ten gevolge van voor de toepassing van de WUV relevante psychische klachten was geïnvalideerd.


1.10. Verweerster 2 heeft bij besluit van 31 december 1998 betrokkene op grond van psychische invaliditeit met ingang van 1 juli 1998 erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van artikel 2, eerste lid onder f, van de WUBO en hem met ingang van 1 juli 1998 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de WUBO en een vergoeding van de kosten voor vier uur huishoudelijke hulp per week verleend; het recht op een periodieke uitkering is betrokkene ontzegd op de grond dat er in zijn geval geen sprake is van een werkbeëindiging ten gevolge van oorlogsinvaliditeit.


1.11. Namens betrokkene heeft mr. drs. Lamphen beide besluiten d.d. 31 december 1998 gemotiveerd bestreden.


2. De Raad dient in deze gedingen antwoord te geven op de vraag of beide bestreden besluiten in rechte kunnen standhouden. In het bijzonder is betoogd dat de ingangsdata van de toegekende prestaties in verband met het rapport van de psychiater Van Loon gekoppeld dienen te worden aan de data van de herzieningsverzoeken.


3. Inzake het geding nummer 99/791 WUV overweegt de Raad als volgt.


3.1. De Raad is van oordeel dat de uitleg die verweerster 1 op gezag van haar medisch adviseur aan het rapport van de psychiater Van Loon heeft gegeven als vermeld onder 1.9 niet voor onjuist kan worden gehouden. De kern van dat rapport, dat betrokkene ten tijde van het onderzoek in augustus 1997 ten gevolge van psychische klachten ernstig was beschadigd, kan bij het licht van het eerdere onderzoek (en rapport) van de psychiater Tilanus alleen deugdelijk verklaard worden indien wordt aanvaard dat de psychische klachten van betrokkene in de tijd die ligt tussen het onderzoek van de psychiater Tilanus en dat van de psychiater Van Loon in ernst zijn toegenomen zoals voor het eerst blijkt uit het rapport van laatstgenoemde. De Raad verwerpt de zienswijze van betrokkene dat het rapport van de psychiater Tilanus als vrucht van diens onderzoek van betrokkene in dit geding geen waarde heeft.


3.2. Het onder 3.1 overwogene brengt in de eerste plaats mee dat de ingangsdatum van de periodieke uitkering terecht op 1 augustus 1997 is bepaald. Voorts is dan niet met vrucht te verdedigen dat betrokkene ten gevolge van zijn voor de toepassing van de WUV relevante psychische klachten zijn militaire loopbaan in 1993 heeft beëindigd. Aangezien die psychische klachten niet eerder dan in augustus 1997 invaliderend tot uiting zijn gekomen, acht de Raad het gerechtvaardigd dat verweerster 1 de grondslag van de aan betrokkene toegekende periodieke uitkering heeft vastgesteld op het wettelijk minimum met toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de WUV.


3.3. Gezien de waardering die hiervoor aan het rapport van de psychiater Van Loon is gegeven, acht de Raad de beslissing van verweerster 1, de ingangsdatum van de verleende vergoeding inzake de kosten van huishoudelijke hulp te bepalen op 1 augustus 1997, juist.


3.4. Met betrekking tot de afwijzing van de gevraagde voorzieningen van extra vakantie en vervoer heeft de Raad in de beschikbare medische en andere gegevens geen enkel aanknopingspunt gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit van verweerster 1 in rechte onhoudbaar is.

Het beroep in dit geding moet ongegrond worden verklaard.


4. Inzake het geding nummer 99/783 WUBO is de Raad tot het volgende gekomen.


4.1. Verweerster 2 heeft de toekenning aan betrokkene van de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de WUBO laten ingaan op 1 juli 1998, rekening houdend met de uitbreiding van haar richtlijnen als beschreven onder 1.8. De Raad stelt vast dat betrokkene, was het niet tot deze uitbreiding gekomen, niet als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de WUBO erkend zou kunnen zijn, aangezien volgens de medische gegevens diens psychisch letsel zo niet volledig dan toch in elk geval in overwegende mate aan het wegvoeren van de vader is toe te schrijven. Een dergelijke oorlogscalamiteit kan echter op zichzelf niet onder de werking van de WUBO worden gebracht. De nadere richtlijn van verweerster 2, waarbij ten behoeve van de medische beoordeling in een concreet geval met een dergelijke oorlogscalamiteit rekening wordt gehouden ook indien zulk een calamiteit zich in tijd gezien voor - en niet alleen na - vastgestelde wél onder het bereik van de WUBO vallende calamiteiten heeft voorgedaan, heeft dan ook buitenwettelijke trekken. De Raad ziet echter geen aanleiding deze nadere richtlijn van verweerster 2 niet mede in aanmerking te nemen. In dit verband onderschrijft de Raad het standpunt van verweerster 2 dat met de werking van die nadere richtlijn in concrete gevallen eerst met ingang van 1 juli 1998 rekening wordt gehouden zonder de mogelijkheid van terugwerkende kracht.


4.2. Derhalve heeft verweerster 2 in overeenstemming met haar nadere richtlijn terecht de ingangsdatum van de aan betrokkene toegekende toeslag als bedoeld in artikel 19 van de WUBO vastgesteld op 1 juli 1998. Dit geldt ook voor de ingangsdatum van de bijzondere voorziening inzake huishoudelijke hulp.


4.3. Resteert de vraag of verweerster 2 terecht heeft geoordeeld dat betrokkene geen recht heeft op een periodieke uitkering ingevolge de WUBO. Hiertoe heeft zij, overeenkomstig medisch advies, doorslaggevend geacht dat betrokkene zijn militaire betrekking in 1993 niet heeft beëindigd wegens psychisch letsel ten gevolge van de in aanmerking genomen oorlogsomstandigheden. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend, waartoe hij verwijst naar hetgeen hij onder 3.2 heeft overwogen en beslist.


4.4. Mitsdien moet ook in dit geding het beroep ongegrond worden verklaard.


5. De Raad die geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskostenvergoeding, beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart de beroepen ongegrond.


Aldus gegeven door mr. J.G. Treffers, in tegenwoordigheid van mr. L.A.C.W. Dusee als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 april 2002.


(get.) J.G. Treffers.


(get.) L.A.C.W. Dusée.


HD

26.03