Centrale Raad van Beroep, 26-07-2002 / 00/2779 WAO + 01/5622 WAO


ECLI:NL:CRVB:2002:AE7073

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-07-26
Publicatiedatum
2002-09-02
Zaaknummer
00/2779 WAO + 01/5622 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R




00/2779 WAO en 01/5622 WAO



U I T S P R A A K



in de gedingen tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Geding 00/2779 WAO

Bij besluit van 28 december 1998 (bestreden besluit 1) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 1998 waarbij gedaagde de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

45 tot 55%, met ingang van 31 augustus 1998 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 5 april 2000 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 4 augustus 2000 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.


Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 25 oktober 2000, ingediend.


Bij brief van 25 september 2001 (met bijlage) heeft appellant de beroepsgronden aange-vuld.


Het geding betreffende bestreden besluit 1 is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 26 oktober 2001, waar appellant is verschenen bij mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E. van Onzen, werkzaam bij de toenmalige GUO Uitvoeringsinstelling B.V. de Raad heeft in overleg met partijen het onderzoek ter zitting geschorst.


Bij brief van 18 januari 2002 (met bijlage) heeft gedaagde desgevraagd nog informatie verstrekt.


Bij brief van 18 april 2002 (met bijlage) heeft appellant op even genoemde brief van gedaagde gereageerd.


Geding 01/5622 WAO

Bij besluit van 11 september 2000 (bestreden besluit 2) heeft gedaagde ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 maart 2000 waarbij gedaagde genoemde uitkering van appellant, welke daarvoor sedert 7 april 1999 weer werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 22 april 1999 heeft herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 september 2001 het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.


Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij beroepschrift van 30 oktober 2001 (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.


Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 18 januari 2002, (met bijlagen) ingediend.


Bij brief van 8 april 2002 (met bijlagen) heeft gedaagde zijn verweer aangevuld.


Beide gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 juni 2002, waar appellant, zoals zeer kort voor de zitting bericht, niet is ver-schenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door E. van Onzen, voornoemd, werkzaam bij het Uwv.


II. MOTIVERING


Appellant is op 8 juli 1997 wegens rugklachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker bij een rozenkwekerij. In verband hiermede is hem met ingang van 7 juli 1998 een uitkering op grond van de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Bij het bij bestreden besluit 1 gehandhaafde besluit van 21 juli 1998 is deze uitkering ingaande 31 augustus 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsonge-schiktheid van 25 tot 35%.

Aangezien appellant, die per 29 april 1998 zijn eigen werk voor halve dagen had hervat, op 1 september 1998 weer volledig voor dit werk was uitgevallen, is zijn uitkering bij besluit van 9 april 1999 met ingang van 1 september 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 12 oktober 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en ingaande 1 mei 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 25 februari 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen beide laatste onderdelen van het besluit van 9 april 1999 gegrond verklaard voorzover het de herziening van de uitkering ingaande 1 mei 1999 betrof, dit onder intrekking van het desbetreffende deel van dat besluit, en voor het overige ongegrond verklaard.

Inmiddels had gedaagde bij besluit van 21 april 1999 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 7 april 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidson-geschiktheid van 25 tot 35%. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 1 maart 2000 ongegrond verklaard.

Bij het bij bestreden besluit 2 gehandhaafde besluit van 3 maart 2000 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant per 22 april 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.


De Raad ziet aanleiding allereerst het geschil in de zaak 01/5622 WAO (bestreden besluit 2) aan een beoordeling te onderwerpen.


Ten aanzien van geding 01/5622 WAO


Op 9 juni 1999 is appellant onderzocht door de verzekeringsarts A. van Staden. Vervolgens heeft deze arts een belastbaarheidspatroon ten aanzien van appellant opgesteld, gedateerd 9 juni 1999. Blijkens zijn rapport van 10 juni 1999 was deze arts op grond van zijn onderzoek van oordeel dat het (medische) beeld ongewijzigd was ten opzichte van de vorige beoordeling op 19 januari 1999.

De arbeidsdeskundige F.R. Beck heeft vervolgens met gebruikmaking van voormeld belastbaarheidspatroon enige functies voor appellant geselecteerd, als genoemd in zijn rapport van 30 augustus 1999, die hem langs de weg van een theoretische schatting tot het inzicht brachten dat appellant per 22 april 1999, zijnde de datum in geding, als 37,9% arbeidsongeschikt was te beschouwen.

De bezwaarverzekeringsarts J.H. Logger kon zich blijkens zijn rapport van

23 augustus 2000 niet vinden in het door de verzekeringsarts Van Staden opgestelde belastbaarheidspatroon. Naar zijn mening beoogde deze verzekeringsarts met het in zijn rapport vermelde aan te geven dat het op 29 april 1998 opgestelde belastbaarheidspatroon weer van toepassing was, hetgeen volgens de bezwaarverzekeringsarts inderdaad een juiste conclusie zou zijn. In het belastbaarheidspatroon van 9 juni 1999 zijn evenwel op een groot aantal aspecten lichtere beperkingen aangenomen dan in het belastbaarheids-patroon van 29 april 1998. Dit heeft de bezwaarverzekeringsarts ertoe gebracht de door de arbeidsdeskundige aan appellant voorgehouden functies alsnog te toetsen aan dit laatste belastbaarheidspatroon. Deze toetsing leidde tot de conclusie dat de functies door appellant per de datum in geding konden worden vervuld. De bezwaarverzekeringsarts gaf wel uiting aan enige twijfel op het aspect hand- en vingergebruik. Appellant mist een gedeelte van drie vingertoppen ten gevolge van een in het verleden plaatsgevonden hebbend vuurwerkongeluk. Gelet hierop achtte de bezwaarverzekeringsarts problemen denkbaar waar het gaat om met de linkerhand hanteren of bewerken van kleine voorwerpen die bij voorbeeld door een glad oppervlak of door hun vorm weinig retentie bieden. Op dit punt zag hij een toelichtend rapport van de bezwaararbeidsdeskundige nog als gewenst. Naar hij ten slotte opmerkte, zijn te dezen geen functies geselecteerd met een overwegend zittend karakter zonder voldoende afwisselingsmogelijkheden wat betreft zitten, staan en lopen.


De bezwaararbeidsdeskundige R. Pel is vervolgens in zijn rapport van 15 juni 2000 op het aspect hand- en vingergebruik ingegaan. Naar zijn opvatting is het bezwaar van appellant op dit punt evenals op de overige door hem genoemde, door de bezwaararbeids-deskundige eveneens besproken, punten ongegrond.


Appellant heeft in hoger beroep, kort weergegeven, het volgende aangevoerd:


a) In het belastbaarheidspatroon van 29 april 1998 is volstrekt ten onrechte geen beperking aangegeven op het aspect hand- en vingergebruik. Vanwege gedaagde is niet onderzocht in welke mate appellant wat dit betreft beperkt is. In de geselecteerde functies is een intensief hand- en vingergebruik vereist.

b) In een aantal van de betrokken functies beslaat het zittend werken 80 tot 95% van de werktijd en is onvoldoende in de mogelijkheid van afwisseling van houding voorzien.

c) Gedaagde heeft ten onrechte aangenomen dat appellant de Nederlandse taal goed spreekt. Appellant is in elk geval niet in staat om Nederlands te lezen en kan dan ook geen schriftelijke instructies en opdrachten uitvoeren, zoals in enkele functies vereist.

d) Appellant heeft alleen lager onderwijs in Turkije gevolgd en beschikt derhalve niet over een VBO-niveau, en zeker niet een VBO-niveau in technische richting. De functies van inpakker en monteur-samensteller zijn dan ook niet geschikt.

e) Gedaagde heeft niet zorgvuldig gehandeld nu hij de onderhavige functies met terugwerkende kracht per 22 april 1999 aan appellant heeft voorgehouden.


Met betrekking tot deze onderscheidene grieven oordeelt de Raad als volgt:


Ad a) Aan de hand- en vingervaardigheid van appellant is door zowel de bezwaar-verzekeringsarts als de bezwaararbeidsdeskundige, zoals hiervoor is aangegeven, de nodige aandacht besteed met als duidelijke conclusie dat de voor appellant geselecteerde functies ook vanuit dit aspect bezien geschikt voor hem zijn. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die twijfel zouden kunnen wekken omtrent de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige ter zake gegeven uiteenzettingen en conclusies. Ter zijde wijst de Raad er nog op dat in het door appellant zelf overgelegde rapport van 9 juni 1998 van de ergotherapeut C. Kraaij ten aanzien van appellants handvaardigheid is vermeld: "g.p.", hetgeen kennelijk staat voor "geen probleem".


Ad b) Ingevolge het belastbaarheidspatroon van 29 april 1998 kan appellant gedurende vrijwel de gehele werkdag ten hoogste één uur aaneengesloten zitten. De geselecteerde functies voldoen hieraan. Gelijk de Raad in zijn uitspraak van

18 mei 2001, gepubliceerd in USZ 2001, nr. 201, heeft overwogen, acht hij het in de situatie dat in de voorgehouden functies feitelijk minimaal een half uur en maximaal één uur aaneengesloten wordt gezeten, waarna een onderbreking volgt waarbij substantieel andere activiteiten worden ondernomen waardoor recuperatie kan plaats vinden, voldoende aannemelijk dat die functies de mogelijkheid kennen van het in voldoende mate vertreden. Gelet hierop deelt de Raad de onderhavige grief van appellant niet.


Ad c) In het rapport van de arbeidsdeskundige P. de Zeeuw van 7 april 1999 is vermeld dat appellant goed Nederlands spreekt terwijl in het eerder vermelde arbeids-kundige rapport van 30 augustus 1999 is opgemerkt dat de taalvaardigheid van appellant zeer behoorlijk is. Voorzover de leesvaardigheid van appellant waar het de Nederlandse taal betreft te wensen zou overlaten, is niet aannemelijk dat dit appellant voor problemen zou stellen in de drie functies waarop de schatting berust, nu de in die functies gebruikte schriftelijke werkinstructies, gelet op de verkorte functie-omschrijvingen, uitsluitend, althans in hoofdzaak, bestaan uit modellen en tekeningen.


Ad d) Deze grief faalt reeds omdat in de drie zo-even bedoelde functies ten hoogste basisonderwijs is vereist.


Ad e) De Raad kan appellant hierin in het geheel niet volgen. Bij het bij bestreden besluit 2 gehandhaafde besluit van 3 maart 2000 is appellant immers ingedeeld in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan waarin hij voordien was ingedeeld. Verschuiving van het ingaan van de herziene indeling naar een latere datum zou derhalve bepaald niet te zijnen gunste zijn. Voorts is de strekking van de uitloop-termijn om in een situatie waarin de betrokkene geacht wordt te beschikken over een resterende verdiencapaciteit met een grotere omvang dan tevoren aanwezig werd geacht, gelegenheid te geven zich te oriënteren op bepaalde, hem vanwege gedaagde voorgehouden loonvormende arbeid ten einde die verdiencapaciteit te kunnen benutten. Een zodanige situatie doet zich hier niet voor.


Nu ook overigens geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat bestreden besluit 2 in rechte geen stand kan houden, komt de aangevallen uitspraak van 11 september 2001 voor bevestiging in aanmerking.


Ten aanzien van geding 00/2779 WAO


De Raad overweegt in dit geding allereerst dat dit slechts ziet op de vraag of appellant voorzover het de datum 31 augustus 1998 betreft, dient te worden ingedeeld in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse dan die van 25 tot 35% waarin hij bij het bij bestreden besluit 1 gehandhaafde besluit van 21 juli 1998 is ingedeeld. Reeds per 1 september 1998 is de mate van appellants arbeidsongeschiktheid immers bepaald op 80 tot 100%. Het belang van appellant bij het slagen van dit hoger beroep is, naar uit de stukken blijkt, beperkt tot het verkrijgen van een verhoging van zijn uitkering ten bedrage van slechts enkele euro's netto (over één dag). Dit belang staat naar het de Raad voorkomt op geen enkele wijze in een enigszins redelijke verhouding tot de - voor een belangrijk deel uit de algemene middelen betaalde - kosten die met het voeren van dit geding voor alle betrokkenen waren gemoeid. Nu de Raad evenwel geen geschreven of ongeschreven regel of beginsel van procesrecht bekend is dat zich ertegen verzet dat in een geval als dit van de reguliere mogelijkheden van het vragen van voorziening gebruik wordt gemaakt, heeft hij dit hoger beroep aan een (inhoudelijke) beoordeling onder-worpen. Ter verantwoording van zijn bevindingen volstaat de Raad met de volgende overwegingen.


Appellant heeft geen enkel, van een medisch deskundige afkomstig, rapport of ander stuk overgelegd dat aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellant vanwege gedaagde is overschat.


Mede gelet op het vermelde in het rapport van 7 september 2000 van de bezwaararbeids-deskundige R. Pel, kan worden aangenomen dat de appellant in dit geval voorgehouden functies ook uit een oogpunt van hand- en vingergebruik voor hem geschikt zijn.

Voorts heeft gedaagde weliswaar bij brief van 18 januari 2002 desgevraagd medegedeeld dat de functie van monteur koffiezetters op 28 augustus 1998, derhalve juist voor de datum in geding, uit het zogeheten FIS-systeem is verwijderd, doch zulks neemt niet weg dat dan nog een drietal geschikte functies resteert, waaronder die van gordijnnaaier.


Ook in dit geding kan het hoger beroep niet slagen en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht in deze beide gedingen geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraken.


Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2002.


(get.) J.Th. Wolleswinkel.


(get.) M.H.A. Uri.


MH