Centrale Raad van Beroep, 01-10-2002 / 00/251 WAO


ECLI:NL:CRVB:2002:AE9297

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-10-01
Publicatiedatum
2002-10-24
Zaaknummer
00/251 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2002/315
Uitspraak

00/251 WAO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Bij besluit van 15 mei 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 15 juli 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


Bij besluit van 10 september 1998, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 mei 1998 ongegrond verklaard.


De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 13 december 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


Namens appellant is mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, bij beroepschrift van 12 januari 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, waarna de gemachtigde bij schrijven van 27 april 2000 de gronden heeft aangegeven waarop het beroep rust.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is ter behandeldeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 20 augustus 2002, waar partijen -met voorafgaand bericht- niet zijn verschenen.


II. MOTIVERING


Appellant, die werkzaam was als productiemedewerker, is laatstelijk op 6 februari 1992 uitgevallen met diverse lichamelijke klachten. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek werden met name beperkingen geconstateerd ten aanzien van het gebruik van de bovenste extremiteiten. Bij besluit van 20 oktober 1992 zijn vervolgens aan appellant arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


In oktober 1996 heeft de orthopedisch chirurg dr. H.J. Arens op verzoek van gedaagde appellant onderzocht. Arens concludeert dat de medische situatie van appellant goed is. Er zijn wel enige klachten, maar de prognose daaromtrent is positief. Volgens Arens zijn er geen orthopedische beperkingen en kan de belastbaarheid van appellant volledig worden genoemd.


Wegens een voorgenomen schouderoperatie wordt appellant bij besluit van 26 november 1996 ongewijzigd ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100%.


Na de operatie is door gedaagdes verzekeringsarts K. Corten informatie opgevraagd bij de behandelend orthopedisch chirurg W.E. van den Bogert. Mede op basis hiervan wordt door de verzekeringsarts een belastbaarheidspatroon opgesteld, gedateerd 4 februari 1997. Na informatie van Van den Bogert dat in augustus 1997 een nieuwe operatie zal plaatsvinden, ditmaal in verband met appellants beenklachten, concludeert Corten dat arbeidskundig onderzoek niet aan de orde is. Eerst dient een medisch vervolgonderzoek plaats te vinden.


Appellant is door Corten opnieuw gezien op 20 april 1998. De enkeloperatie is goed verlopen. Appellant geeft aan linkerheup- en rechterschouderklachten te hebben en daarnaast klachten van de luchtwegen. Corten constateert dat appellant in een periode van vier jaar tijd circa 10/11 keer is geopereerd. Corten spreekt over ernstige somatisering van klachten. Mede op basis van informatie van de behandelende sector concludeert Corten dat appellant beperkingen heeft voor zwaar rug- en schouderbelastend werk. Bij de opstelling van het belastbaarheidspatroon houdt Corten ook rekening met appellants subjectief ernstige klachten, die deels niet kunnen worden geobjectiveerd. Appellant geeft aan dat hij op de wachtlijst staat voor een exploratieve ingreep aan zijn rechterschouder. Corten oordeelt dat er geen operatie-indicatie is op basis van afwijkingen of pathologie, behoudens de persisterende subjectieve klachten. Zij concludeert tot afronding van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellant wordt belastbaar geacht voor het verrichten van betaalde arbeid conform de weergave in het belastbaarheidspatroon.


Gedaagdes arbeidsdeskundige J.A.A. Langeslag selecteert, blijkens een rapportage van 6 mei 1998, op die grondslag voor appellant drie functies 'medewerker service ingang' (met respectievelijk 13, 2 en 1 arbeidsplaats, bij een werktijd van respectievelijk 20, 30 en 37 uur), 'monteur koffiezetters' (100 arbeidsplaatsen, werktijd 38 uur), 'coupeuze' (9 arbeidsplaatsen, werktijd 37 uur), 'telefonist/receptionist' (9 arbeidsplaatsen, werktijd 19 uur), drie functies 'consultatiebureau-assistent' (met respectievelijk 1, 6 en 1 arbeidsplaatsen, werktijd van 7, 16 en 16 uur) en twee functies 'brugwachter' (met 4 en 6 arbeidsplaatsen, werktijd 20 en 38 uur). Op basis van de mediane maandloonwaarde van de functies 'medewerker service ingang' komt de arbeidsdeskundige tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 32,7 en derhalve indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%.


Op 11 mei 1998 laat appellant de verzekeringsarts Corten telefonisch weten dat er uit scanonderzoek van zijn rug is gebleken dat er sprake is van een discopathie op niveau L4, L5 en S1. Appellant krijgt een band aangemeten om de rug te ontlasten en de klachten te verminderen. Volgens Corten is met het opgestelde belastbaarheidspatroon afdoende met de klachten van appellant rekening gehouden. Het lijkt verantwoord, aldus Corten, wetende dat de relatie tussen de ernst van de rugafwijkingen en de ernst van de rugklachten niet volledig met elkaar overeenkomt, om de reeds geplande arbeidskundige beoordeling te laten doorgaan.


Daarop heeft gedaagde, na vooraankondiging bij brief van 14 mei 1998, het in rubriek I genoemde besluit van 15 mei 1998 genomen.


In bezwaar is door appellant aangevoerd dat er geen sprake is van een verbetering van zijn klachten, maar juist van een verergering (rug). Hij geeft aan op de wachtlijst te staan voor een schouderoperatie. Ter hoorzitting op 20 augustus 1998 is door appellants gemachtigde aangevoerd dat er geen sprake is van een eindsituatie. Aangevoerd wordt verder dat de markeringen bij de onderscheiden functies niet afdoende zijn gemotiveerd. Tevens bestrijdt de gemachtigde de berekening van het maatmaninkomen en de resterende verdiencapaciteit. Hij geeft aan dat de parttime functies niet moeten worden meegeteld. Tot slot wordt erop gewezen dat de functie 'medewerker service ingang' qua opleidingsniveau niet geschikt is voor appellant.


De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker, die appellant tijdens de hoorzitting heeft gesproken, acht, blijkens een rapportage van 28 augustus 1998, de beslissing om de geplande operatie niet af te wachten terecht. Appellant kan zich te zijner tijd gewoon ziek melden of toegenomen arbeidsongeschikt. Naar aanleiding van de bezwaren van de gemachtigde tegen een arbeidskundige rapportage merkt Jonker op het geheel met de arbeidskundige eens te zijn: 'de man moet gewoon zo snel mogelijk aan de slag; en dat belanghebbende ze, om welke redenen dan ook, graag bruin bakt heeft bovenstaande ziektegeschiedenis wel duidelijk gemaakt.'


In de beslissing op bezwaar wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellant berekend op basis van het uurloon van de functie 'monteur koffiezetters'. Afgezet tegen een, naar de datum in geding geïndexeerd, maatmaninkomen van fl. 26,34 (€ 11,95) resulteert dit in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 30,1. Het bestreden besluit wordt gehandhaafd.


In beroep worden door appellants gemachtigde de in bezwaar reeds aangevoerde grieven herhaald. Daarenboven wordt betoogd dat met de opmerkingen van de bezwaarverzekeringsarts Jonker de grenzen van artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn overschreden.


In verweer is door gedaagde onder meer een rapportage overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts Jonker van 14 januari 1999. Jonker betoogt dat zij in haar rapportage van 28 augustus 1998 niets anders heeft gedaan dan nogmaals te beargumenteren waarom naar haar mening de functie 'monteur koffiezetters' voor appellant geschikt is te achten. Met betrekking tot het bepaalde in artikel 2:4 van de Awb merkt zij op geen persoonlijk belang te hebben bij de onderhavige zaak. En wat de vooringenomenheid betreft: 'ik kwam tot deze conclusie nadat ik het dossier van alle kanten had bestudeerd en nadat ik alle argumenten had gewogen.'


Blijkens de ter zitting in eerste aanleg overgelegde pleitnotitie is door de gemachtigde daar onder meer verklaard dat, nu appellant fulltime werkte, functies met een urenomvang van 20 of 30 uren buiten de bij uurloonvergelijking toegestane bandbreedte vallen.


De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.


In hoger beroep zijn door appellants gemachtigde de in eerdere instanties aangevoerde grieven in essentie herhaald.


Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit van gedaagde in rechte stand kan houden.


De Raad stelt, met de rechtbank, voorop dat hem niet is gebleken dat gedaagde(s bezwaarverzekeringsarts Jonker) appellant in het onderhavige geval onvoldoende objectief tegemoet is getreden. Mede gelet op de hiervoor beschreven toelichting van de bezwaarverzekeringsarts Jonker, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat gedaagde bij het nemen van het bestreden besluit de voorschriften van artikel 2:4 van de Awb niet in acht zou hebben genomen.


Met betrekking tot de medische kant van de zaak heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat gedaagdes onderzoek niet voldoende zorgvuldig zou zijn geweest of dat gedaagde de beperkingen van appellant op de datum in geding niet juist zou hebben vastgesteld. Door of namens appellant zijn geen concrete medische gegevens overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat gedaagde de medische beperkingen van appellant op de datum in geding heeft onderschat. De Raad voegt hieraan toe dat dit, mutatis mutandis, ook geldt voor gedaagdes oordeel dat de te zijner tijd door appellant te ondergane exploratieve medische ingreep geen beletsel opleverde om appellants belastbaarheid op de datum in geding vast te stellen.


Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de zaak is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat appellant de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, 'medewerker service ingang', 'monteur koffiezetters' en 'coupeuze', gelet op de vastgestelde beperkingen, kan vervullen. De Raad merkt in dat verband op dat gedaagde, mede gelet op het verweerschrift in hoger beroep, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat over de functiebelastingen, in het licht van appellants belastbaarheid, overleg heeft plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. De Raad is verder van oordeel dat door gedaagde de markering op het aspect 'reiken' in de functiebelasting van de functie 'monteur koffiezetters' afdoende is gemotiveerd.


Met betrekking tot appellants grief inzake de (mede) aan de onderhavige schatting ten grondslag gelegde parttime functies overweegt de Raad als volgt.


De datum in geding in de onderhavige zaak is 15 juli 1998. De aanzegging van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden op 14 mei 1998. Op het onderhavige besluit is derhalve het Schattingsbesluit WAO, WAZ en Wajong van toepassing. Dit brengt onder meer mee dat de schatting dient te worden gebaseerd op een uurloonvergelijking. De Raad merkt verder op dat de besluitvorming niet wordt beheerst door gedaagdes 'Besluit uurloonschatting 1999', nu dit Besluit, blijkens het bepaalde in artikel 2 van het Besluit, eerst in werking is getreden op 1 april 1999.


Gedaagde heeft het bestreden besluit gebaseerd op de (drie) functies 'medewerker service ingang', 'monteur koffiezetters' en 'coupeuze'. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in zijn maatmanfunctie fulltime werkzaam was. Namens appellant is betwist dat gedaagde in zijn geval de schatting (mede) heeft mogen baseren op de functies 'medewerker service ingang', nu het hierbij, naast één fulltime variant (met één arbeidsplaats) gaat om een tweetal deeltijdfuncties van respectievelijk 20 en 30 uur per week.


Naar het oordeel van de Raad treft deze grief geen doel. De Raad merkt in dat verband op dat uit de Arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat de functie 'medewerker service ingang' (mede) in een voltijdse variant op de arbeidsmarkt voorkomt. Voor een voorheen voltijds werkende verzekerde betekent dit dat gedaagde deze functie mag selecteren en aan de schatting ten grondslag mag leggen óók voor wat betreft de deeltijdvarianten, vooropgesteld natuurlijk dat deze deeltijdvarianten voor de verzekerde medisch en anderszins geschikt zijn te achten. Naar het oordeel van de Raad kan uit het feit dat de functie op de arbeidsmarkt in een voltijdse variant voorkomt worden afgeleid dat het gaat om een, gezien vanuit het oogpunt van de omvang van de verzekerde arbeid, reële functie. De Raad voegt daaraan toe dat het daadwerkelijke aantal uren dat een verzekerde in zo'n functie zou kunnen gaan werken een arbeidsmarktomstandigheid betreft, die bij de selectie van functies geen rol mag spelen.


In het onderhavige geval gaat het bij de fulltime en parttime varianten van de functie 'medewerker service ingang' om volstrekt identieke functies. Dit geldt in het bijzonder ook voor het uurloon. Dit laatste brengt mee, bij een uurloonvergelijking als de onderhavige, dat het feit dat aan de schatting (mede) parttime varianten van een fulltime voorkomende functie ten grondslag zijn gelegd, niet van invloed is (geweest) op de berekening van de resterende verdiencapaciteit, en daarmee op het arbeidsongeschiktheidspercentage, van de verzekerde.


De Raad concludeert dan ook dat gedaagde de functies 'medewerker service ingang' op goede gronden aan de onderhavige schatting ten grondslag heeft gelegd.


Nu de Raad ook anderszins niet is gebleken dat de indeling van appellant in de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% onjuist is, moet de conclusie luiden dat het hoger beroep vergeefs is ingesteld.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


Derhalve moet als volgt worden beslist.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2002.


(get.) K.J.S. Spaas.


(get.) J.W. Engelhart.