Centrale Raad van Beroep, 20-11-2002 / 00/1434 WW


ECLI:NL:CRVB:2002:AF2282

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-11-20
Publicatiedatum
2002-12-20
Zaaknummer
00/1434 WW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2003/22
Uitspraak

00/1434 WW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Namens appellant heeft F. Pilon-Kroijenga, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, op bij aanvullend beroepschrift met bijlagen aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 8 februari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 13 juli 2000 heeft de gemachtigde van appellant een reactie gegeven op een aantal aan haar toegezonden stukken.


Gedaagde heeft hierop gereageerd, waarop F. Pilon-Kroijenga, voornoemd, op haar beurt een reactie heeft gegeven.


Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 9 oktober 2002, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.


II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.


Appellant heeft bij brief van 29 januari 1996 gedaagde verzocht om te bezien of hij met behoud van een WW-uitkering, waarop hij met ingang van 4 maart 1996 aanspraak zou kunnen maken, een opleiding zou mogen volgen tot verpleegkundige. In dat verband deelde hij mee dat hij met succes had gesolliciteerd naar een opleidingsplek in de HBOV- Instellingenvariant, een HBO-verpleegkundige opleiding waarbij, na één jaar studie, een arbeidscontract wordt getekend met de instelling waar men in opleiding is.

Appellant had, naar zijn zeggen, de mogelijkheid om van september 1996 tot september 1997 voltijdstudent te zijn aan de Hogeschool Utrecht en daarna per september 1997 in dienst te komen van het Academisch Ziekenhuis Utrecht als leerling-verpleegkundige.


Op 8 maart 1996 heeft appellant bij gedaagde een aanvraag ingediend om met ingang van 4 maart 1996 in aanmerking te komen voor een uitkering ingevolge de WW. In afwachting van de vaststelling van het recht op uitkering heeft gedaagde aan appellant met ingang van voormelde datum voorschotten verstrekt en voorts is appellant meegedeeld dat er een onderzoek is gestart naar de scholing die appellant wil gaan volgen.


Bij besluit van 7 november 1996 is aan appellant onder meer meegedeeld dat zijn aanvraag om scholing met behoud van WW-uitkering ingaande 2 september 1996 is afgewezen in verband met de duur van deze scholing en dat de verstrekte voorschotten vanaf 2 september 1996 tot en met 3 november 1996, ten bedrage van f 5.826,15 netto worden teruggevorderd.

Bij besluit op bezwaar (het bestreden besluit) van 16 april 1997 heeft gedaagde zijn standpunt hierover gehandhaafd met dien verstande, dat wordt afgezien van de terugvordering van de verstrekte voorschotten over de periode 2 september 1996 tot en met 6 oktober 1996 vanwege de aanwezigheid van dringende redenen gelegen in de behandelingsduur in combinatie met gewekte verwachtingen door uitlatingen van de behandelend beambte, hetgeen betekent dat een bedrag van f 2.589,40 aan voorschotten wordt teruggevorderd.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


In hoger beroep is namens appellant onder meer het volgende naar voren gebracht:


"Met name kan cliënt zich niet verenigen met het standpunt van de rechtbank dat de opleiding vier jaar duurt. Zijn aanvraag voor studie met behoud van uitkering destijds betrof slechts 1 jaar, namelijk gedurende de propedeuse. Met het propedeutische diploma was het mogelijk een baan te krijgen bij meerdere ziekenhuizen. Vanaf dat moment zou zijn aansprak op een WW-uitkering vervallen, omdat hij dan salaris zou gaan ontvangen. Cliënt blijft dan ook van mening dat gesteld kan worden dat de opleiding (met als doel het verkrijgen van betaald werk) slechts 1 jaar duurde.".


De Raad staat in dit geding in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of de weigering van gedaagde om met betrekking tot de door appellant gevolgde opleiding tot verpleegkundige toepassing te geven aan artikel 76 van de WW in rechte stand kan houden.


De Raad overweegt het volgende.


Artikel 76 van de WW bepaalt dat indien een werknemer, die recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk IIa of IIb, deelneemt of gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de bedrijfsvereniging noodzakelijke opleiding of scholing, het recht op uitkering volgens door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) te stellen regels op grond van het betreffende hoofdstuk blijft bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd.

Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c van het ter uitvoering hiervan genomen SVr-besluit van 20 december 1990, Stcrt. 1990, 252, zoals gewijzigd bij besluit van het Tica van 20 december 1995, Stcrt. 1996, 27, hierna: het besluit, bepaalt dat het recht op uitkering bij het volgen van een opleiding of scholing niet blijft bestaan indien deze langer duurt dan een jaar.


Uit de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens -met name uit de beschrijving van de opleiding HBOV-Instellingenvariant- maakt de Raad op dat de opleiding in totaal 4 jaar duurt en bestaat uit een propaedeutische fase van een jaar en een hoofdfase van drie jaar. In het eerste jaar is er een studieovereenkomst met een zorginstelling en is de student als voltijdstudent ingeschreven.

Het theoretische deel van het programma onderwijs vindt voornamelijk binnenschools plaats waarbij een deel specifiek is gericht op voorbereiding op de combinatie studeren en werken. Het buitenschools gedeelte van het onderwijs wordt doorgebracht op een afdeling in de eigen instelling in de vorm van twee oriëntatieweken en een praktijkoriëntatie van vier weken.

In de hoofdfase wordt er een studie-arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van drie jaar. Door de combinatie studeren en werken bedraagt de belasting in de hoofdfase gedurende het studiejaar van 42 weken gemiddeld 44 uur per week.

Gezien het vorenstaande is ook de Raad van oordeel dat de opleiding verpleegkunde niet kan worden gesplitst in die zin dat het propaedeusejaar als een aparte opleiding moet worden gezien.


Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat nu het bepaalde in het hiervoor vermelde artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het besluit er aan in de weg staat dat voor appellant het recht op uitkering blijft bestaan gedurende de opleiding, ongeacht de vraag of die opleiding voor appellant noodzakelijk is, artikel 76 van de WW reeds om die reden geen toepassing kan vinden.


Appellant heeft in hoger beroep wederom een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat hij van mening blijft dat door een medewerker van gedaagde zodanige informatie is verstrekt, dat hij er van uit mocht gaan dat hij met behoud van WW-uitkering zijn opleiding kon gaan volgen.


De Raad is met de rechtbank van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. Zulks reeds omdat van een mededeling van een medewerker (van gedaagde) die er op neer komt dat door die medewerker positief over de aanvraag is geadviseerd, niet kan worden gezegd dat daarmee verwachtingen zijn gewekt die er toe zouden moeten leiden dat in strijd met de wettelijke voorwaarden uitkering wordt toegekend.


Voorts houdt partijen verdeeld het antwoord op de vraag of gedaagde terecht tot terugvordering van de voorschotten over de periode 7 oktober 1996 tot en met 3 november 1996 is overgegaan.

Daargelaten wat er zij van de gronden waarop gedaagde dringende redenen heeft aangenomen op grond waarvan is afgezien van terugvordering van de tot 7 oktober 1996 verstrekte voorschotten vindt de Raad in de omstandigheden van het onderhavige geval geen aanleiding om ten aanzien van de terugvordering over de periode vanaf 7 oktober 1996 dringende redenen als eerderbedoeld aanwezig te achten of deze terugvordering anderszins onrechtmatig te oordelen.

De Raad is met de rechtbank van oordeel, dat het appellant ten tijde van de betaling van de voorschotten over laatstgenoemde periode, te weten 12 november 1996, duidelijk moet zijn geweest dat hij deze in elk geval terug diende te betalen nu hij bij besluit van 7 november 1996 op de hoogte is gesteld van de terugvordering van de voorschotten.


Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gewezen door mr. Th.M. Schelfhout als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 november 2002.


(get.) H.G. Rottier.


(get.) A. de Gooijer.