Centrale Raad van Beroep, 08-11-2002 / 99/2035 MAW


ECLI:NL:CRVB:2002:AF3601

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-11-08
Publicatiedatum
2003-01-30
Zaaknummer
99/2035 MAW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2003/43
Uitspraak

99/2035 MAW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:



[Appellant], wonende te [woonplaats] (Suriname), appellant,


en


de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 maart 1999, nr. AWB 96/08445 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 17 oktober 2002, waar voor appellant is verschenen mr. J.W. Klinckhamers, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te Den Haag.



II. MOTIVERING


1. De Raad gaat uit van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.


1.1. Op 25 november 1975 is Suriname onafhankelijk geworden. Ter bevordering van de bereidheid van tot de Nederlandse krijgsmacht behorende beroepsmilitairen - vooral die van Surinaamse landaard - om over te gaan naar de Surinaamse krijgsmacht, heeft Nederland zich bereid verklaard de kosten te dragen van een compenserende uitkerings-regeling waarmee de grote verschillen tussen de rechtspositieregelingen bij de Nederlandse en de Surinaamse krijgsmacht, met name op financieel gebied, zodanig zouden worden weggenomen dat daarmee de belangrijkste financiële belemmeringen voor overgang naar de Surinaamse krijgsmacht zouden komen te vervallen. Deze uitkeringsregeling is eerst neergelegd in een beleidsbrief van gedaagde en later in de bij Koninklijk besluit van 9 december 1977 (Stb. 710) vastgestelde Regeling financiële voorzieningen overgang Surinaamse krijgsmacht (hierna: de Suppletieregeling).


1.2. Appellant is als beroepsmilitair overgegaan van de Nederlandse naar de Surinaamse krijgsmacht. Om die reden is hem een uitkering als bedoeld in artikel 2 van de Suppletieregeling toegekend.


1.3. Op 25 februari 1980 heeft een groep Surinaamse onderofficieren in Suriname een staatsgreep gepleegd. In de nasleep hiervan zijn 18 Surinaamse militairen, onder wie appellant, bij decreet van de President van de Republiek Suriname van 11 september 1980 wegens plichtsverzuim met ingang van 25 februari 1980 oneervol uit de militaire dienst ontslagen.


1.4. Vanwege dit ontslag heeft gedaagde bij besluit van 9 december 1981 de uitkering van appellant ingetrokken met toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Suppletieregeling. Ingevolge dit artikelonderdeel vervalt het recht op uitkering, bedoeld in artikel 2, indien de betrokkene als militair van de Surinaamse krijgsmacht wordt ontslagen als gevolg van eigen toedoen. Gelet evenwel op de onvoorzienbare, bijzondere omstandigheden en gebeurtenissen die tot het ontslag van appellant aanleiding hebben gegeven, alsmede op grond van overwegingen van sociale aard, heeft gedaagde bij hetzelfde besluit aan appellant een vervangende uitkering toegekend op grond van artikel 11 van de Suppletieregeling (hierna: de hardheidsclausule). Daaraan heeft gedaagde onder meer de bepaling verbonden dat op de uitkering in mindering zullen worden gebracht alle inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, welke belang-hebbende geniet of gaat genieten (hierna: de anticumulatiebepaling).


1.5. In de nacht van 8 op 9 december 1982 is een aantal tegenstanders van het toenmalige Surinaamse regime om het leven gebracht. Naar aanleiding van deze zogenoemde decembermoorden heeft de Nederlandse regering de betaling van suppletie-uitkeringen aan actief dienende Surinaamse militairen opgeschort. De betalingen werden hervat zodra de betrokkene wegens leeftijdsontslag, wegens gebreken of anderszins, mits niet door eigen toedoen, de status van actief dienende verloor.


1.6. Bij Koninklijk besluit van 27 februari 1987 (Stb. 126, hierna: de Vervangende Regeling) is de Suppletieregeling ingetrokken per 8 december 1982. In plaats daarvan is in artikel 3 van de Vervangende Regeling voorzien in een uitkering aan de gewezen militairen van de Surinaamse krijgsmacht aan wie (a) in de maand voorafgaande aan die van de inwerkingtreding op grond van artikel 2 van de Suppletieregeling een uitkering werd uitbetaald of (b) op grond van artikel 11 van de Suppletieregeling een vervangende uitkering was toegekend. Ingevolge artikel 4 van de Vervangende Regeling is - kort gezegd - de nieuwe uitkering gelijk aan de oude. Dit betekent voor appellant dat hij een uitkering ontvangt die gelijk is aan en onder dezelfde voorwaarden wordt verstrekt als de uitkering op grond van de hardheidsclausule van de Suppletieregeling. Aan de nieuwe uitkering is voor appellant derhalve evenzeer een anticumulatiebepaling verbonden.


1.7. Bij besluit van de President van de Republiek Suriname van 3 januari 1994 is aan appellant, te rekenen van 25 februari 1980, alsnog eervol ontslag uit de militaire dienst verleend, onder aantekening dat dit ontslag niet door eigen toedoen plaats vond. Naar aanleiding hiervan heeft appellant bij brief van 17 november 1994 jegens gedaagde aanspraak gemaakt op de maandelijkse suppletie waarop hij ingevolge de Suppletieregeling recht heeft, vanaf het moment dat deze suppletie hem niet meer is uitgekeerd tot aan de datum van zijn pensionering op 1 juli 1994.


1.8. Bij besluit van 23 maart 1995, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 17 juni 1997, heeft gedaagde dit verzoek van appellant om hem met terugwerkende kracht weer onder de Suppletieregeling te brengen afgewezen. Bij de aangevallen uitspraak, voorzover in hoger beroep aangevochten, heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroep van appellant ongegrond verklaard.


2. Met betrekking tot de door appellant naar voren gebrachte grieven inzake het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader, overweegt de Raad als volgt.


2.1. Vooropgesteld moet worden dat het besluit van gedaagde van 9 december 1981, waarbij de reguliere uitkering op grond van de Suppletieregeling is ingetrokken en in plaats daarvan aan appellant een uitkering op grond van de hardheidsclausule is toegekend, in rechte onaantastbaar is geworden. Voorzover appellant het tegendeel heeft willen betogen, wijst de Raad erop dat appellant tegen bedoeld besluit geen rechtsmiddel heeft aangewend. Niet is in te zien dat hij hiertoe vanwege buiten zijn wil gelegen omstandigheden niet in de gelegenheid is geweest.


2.2. De rechtbank is er dan ook terecht van uitgegaan dat het inleidend verzoek van appellant van 17 november 1994 dient te worden aangemerkt als een verzoek aan gedaagde om terug te komen van het rechtens vaststaande besluit van 9 december 1981.


2.3. De Raad staat derhalve voor de beoordeling van de vraag of gedaagde, door ondanks de wijziging van omstandigheden onverkort aan het besluit van 9 december 1981 vast te houden een besluit heeft genomen waartoe hij niet in redelijkheid heeft kunnen komen dan wel daardoor anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Door deze toetsing als "terughoudend" te kenschetsen heeft de rechtbank op zichzelf geen onjuiste maatstaf aangelegd.


2.4. Appellant is, gezien een aantal door hem vermelde feiten en omstandigheden, van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er een lange tijd is verstreken tussen het besluit van 9 december 1981 en het inleidend verzoek van 17 november 1994. De Raad overweegt dat op zichzelf het tijdsverloop en de oorzaak daarvan factoren zijn die bij de beslissing op een verzoek terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit meegewogen kunnen worden en derhalve ook betrokken kunnen worden in de rechterlijke toetsing maar het door de rechtbank bedoelde tijdsverloop is, gezien de verdere overwegingen in de aangevallen uitspraak, voor het uiteindelijke oordeel van de rechtbank niet doorslaggevend geweest.


3. Kern van het betoog van appellant is de stelling dat hij, nu de Surinaamse overheid heeft erkend dat het hem per 25 februari 1980 verleende ontslag niet door eigen toedoen is veroorzaakt, in een positie moet worden gebracht alsof hij na dit ontslag zijn reguliere suppletie-uitkering heeft behouden. Dit zou betekenen dat hij ten onrechte is gerekend tot de in artikel 3, onder b, van de Vervangende Regeling genoemde groep van personen voor wie de op grond van de hardheidsclausule toegekende vervangende uitkering op gelijke voorwaarden, waaronder de anticumulatiebepaling, is voortgezet. In plaats daarvan zou hij behoren tot de in artikel 3, onder a, van de Vervangende Regeling bedoelde personen wier suppletie-uitkering op gelijke voet, zonder anticumulatie van elders verkregen inkomsten, is doorgelopen. Een en ander zou moeten uitmonden in het alsnog volledig uitbetalen van de uitkering over tijdvakken waarin appellant andere inkomsten heeft genoten.


3.1. Bij de beoordeling van dit betoog is van betekenis dat de Raad bij uitspraak van 23 februari 1984 (TAR 1984, 99), gewezen ten aanzien van een betrokkene die in een soortgelijke positie verkeerde als appellant, heeft geconcludeerd dat gedaagde, gezien het bijzondere karakter van de in die uitspraak aan de orde zijnde situatie, niet buiten de door de rechter te stellen redelijkheidsgrenzen is getreden door het ontslagdecreet van 11 september 1980, ondanks de twijfelachtige waarde ervan, als vaststaande grondslag voor de toepassing van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c, van de Suppletieregeling te nemen. Daarbij heeft de Raad mede laten wegen dat gedaagde niet met intrekking van de suppletie-uitkeringen heeft volstaan, doch terstond vervangende uitkeringen op grond van de hardheidsclausule heeft toegekend. De aan die vervangende uitkeringen verbonden anticumulatiebepaling heeft de Raad vervolgens in zijn uitspraak van 27 april 1987 (TAR 1987, 151) niet onrechtmatig geoordeeld op grond van de overweging dat de oude uitkering een aanvulling betekende op het inkomen als Surinaams militair - in welke regeling een anticumulatiebepaling derhalve niet paste - terwijl de nieuwe uitkering bedoeld is aan de betrokkene een inkomen te verschaffen in de bijzondere omstandigheden waarin hij is komen te verkeren, waarbij een anticumulatiebepaling wel past omdat het redelijk is die uitkering afhankelijk te stellen van de mate waarin de betrokkene op andere wijze in zijn levensonderhoud kan voorzien.


3.2. Het vorenstaande brengt met zich dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de omstandigheid dat de grond voor het ontslag door de Surinaamse overheid is gewijzigd in deze procedure niet als een geheel nieuw feit kan gelden. Immers, de twijfelachtige waarde van de oorspronkelijke ontslaggrond werd reeds ten tijde van de intrekking van de suppletie-uitkering door gedaagde onderkend en is meegewogen bij de beslissing van gedaagde om appellant op grond van de hardheidsclausule een vervangende uitkering toe te kennen. Daarmee heeft gedaagde, zoals blijkt uit 's Raads uitspraak van 23 februari 1984, op rechtens adequate wijze op de nieuw ontstane situatie gereageerd.


3.3. Tot die adequate reactie behoorde ook het aan de vervangende uitkering - en vervolgens aan de uitkering op grond van de Vervangende Regeling - verbinden van de anticumulatiebepaling. In de lijn van zijn uitspraak van 27 april 1987 stelt de Raad vast dat, waar de Suppletieregeling was bedoeld als aanvulling op het Surinaams militair inkomen ter ondersteuning van de overgang naar de Surinaamse krijgsmacht, de vervangende uitkeringen een geheel ander karakter droegen. Laatstgenoemde uitkeringen zijn toegekend omdat inmiddels een nieuwe, bij het opstellen van de Suppletieregeling niet voorziene situatie was ingetreden, waarin gedaagde te maken had met een groep van voormalige Surinaamse militairen die weliswaar buiten de Surinaamse krijgsmacht waren komen te staan maar die, gezien de omstandigheden waaronder dit was gebeurd, door de Nederlandse overheid niet aan hun lot konden worden overgelaten. Kenmerkend voor deze groep was onder meer dat, over het geheel genomen, te verwachten viel dat zij ook buiten de Surinaamse krijgsmacht nog inkomsten uit arbeid zou gaan verwerven. Daarin onderscheidde zij zich wezenlijk van de doelgroep van de Suppletieregeling. Het was om deze reden dat alsnog een anticumulatiebepaling is (en mocht worden) opgenomen. Die reden is, anders dan de grond waarop het ontslag is verleend, met het besluit van de President van de Republiek Suriname van 3 januari 1994 niet komen te vervallen. Immers, het ontslag zelf is door dit besluit niet ongedaan gemaakt. Ook na het besluit is de toegepaste anticumulatiebepaling dus nog steeds redelijk te achten.


3.4. Het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Appellant vergelijkt zichzelf vooral met de groep van militairen die, anders dan hij, na de staatsgreep niet door de nieuwe machthebbers zijn ontslagen en die na de december-moorden wegens leeftijdsontslag, wegens gebreken of anderszins, mits niet door eigen toedoen, de status van actief dienende hebben verloren. Deze groep, voor wie de suppletieuitkering is herleefd en onder de Vervangende Regeling op de oude voet is voortgezet, verkeert echter niet in een situatie die met die van appellant op één lijn kan worden gesteld. Met name is hetgeen onder 3.3 is overwogen op deze groep niet van toepassing. Ook anderszins heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat personen in vergelijkbare omstandigheden anders zijn behandeld dan hij.


3.5. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de wijziging van de ontslaggrond niet is aan te merken als een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid waarin gedaagde aanleiding had moeten vinden op zijn besluit van 9 december 1981 terug te komen. Het bestreden besluit kan derhalve de onder 2.3. omschreven rechterlijke toetsing doorstaan. De aangevallen uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.


3.6. De Raad merkt nog op dat deze uitkomst van de procedure in het geheel niet afdoet aan de rehabilitatie die voor appellant als gewezen militair voortvloeit uit het besluit van de President van de Republiek Suriname van 3 januari 1994.


4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.


Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2002.


(get.) T. Hoogenboom.


(get.) M. Pijper.


HD

05.11

Q