Centrale Raad van Beroep, 24-10-2002 / 00/6327 AW + 00/6328 AW


ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3096

Inhoudsindicatie
Tijdens langdurige ziekteperiode werkzaamheden verricht in eigen bedrijf, zonder daarover de werkgever of de bedrijfsarts te informeren.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-10-24
Publicatiedatum
2009-07-20
Zaaknummer
00/6327 AW + 00/6328 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

00/6327 AW en 00/6328 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellant], appellant,


en


het Bestuur van de Stichting Dienst Waterbeheer en Riolering Amsterdam en Amstel, Gooi en Vecht, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 31 oktober 2000, nrs. AWB 99/11762 en AWB 00/3775, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 12 september 2002, waar appellant niet is verschenen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S.F. Baraké, werkzaam bij Leeuwendaal advies bv.



II. MOTIVERING


1. De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de bij de aangevallen uitspraak vastgestelde feiten en neemt die als vaststaand aan. Hij volstaat met vermelding van de volgende feiten.


1.1. Appellant was sedert 1987 administratief medewerker bij het Hoogheemraadschap Amstel en Vecht. Hij heeft zich op 23 november 1993 wegens rugklachten arbeidsongeschikt gemeld en daarna bij het Hoogheemraadschap en ook bij voormelde Stichting, waarin het Hoogheemraadschap per 1 januari 1997 is opgegaan, geen werkzaamheden meer verricht.


1.2. Nadat appellants WAO-conforme uitkering per 1 september 1997 was ingetrokken omdat hij geacht werd geen ziekte of gebrek (meer) te hebben die hem beletten zijn oorspronkelijke functie uit te oefenen, is hij door gedaagde voor een gesprek op 14 december 1998 uitgenodigd om over zijn tewerkstelling bij de Stichting te overleggen. Appellant liet telefonisch weten dat zijn rugproblemen hem beletten te verschijnen. Om dezelfde reden weigerde hij bij de bedrijfsarts te Schiphol Oost te verschijnen, ook nadat gedaagde hem daartoe een dienstopdracht had gegeven. Een bedrijfsarts die vervolgens op gedaagdes verzoek appellant op 12 februari 1999 thuis opzocht, stelde vast dat appellant inderdaad wegens zijn rugklachten zijn werkzaamheden bij de Stichting niet kon hervatten.


1.3. In april 1999 werd gedaagde duidelijk dat sedert 1991 bij de Kamer van Koophandel op het huisadres van appellant een bedrijf - gericht op de verhandeling en reparatie van computers en computeronderdelen - was ingeschreven, waarvan volgens die inschrijving appellant eigenaar was en appellant en zijn echtgenote de in dat bedrijf werkzame personen waren. Gedaagde, overwegend dat appellant hiervoor geen toestemming had gevraagd, heeft bij besluit van 8 juli 1999 - dat na bezwaar bij het bestreden besluit van 2 december 1999 is gehandhaafd - de doorbetaling van appellants bezoldiging met onmiddellijke ingang gestaakt. Dit geschiedde op grond van artikel E13, tweede lid, aanhef en onder c, van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschappen (SAW), dat bepaalt dat de doorbetaling van de bezoldiging wordt gestaakt indien de ambtenaar tijdens de verhindering om zijn betrekking te vervullen voor zichzelf of voor derden arbeid verricht, tenzij dat door de bedrijfsgezondheidsdienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het bevoegde gezag daartoe toestemming heeft verleend.


1.4. In voormeld gedrag van appellant heeft gedaagde voorts aanleiding gezien appellant bij besluit van 9 november 1999 - dat na bezwaar bij het bestreden besluit van 23 februari 2000 is gehandhaafd - met ingang van 1 december 1999 strafontslag te verlenen, onder verwijzing naar de artikelen G1 en G2, eerste lid, aanhef en onder j, van de SAW. Gedaagde overwoog (i) dat appellant zijn stelling dat hij de inschrijving van zijn bedrijf in 1992 mondeling bij de afdeling personeelszaken had gemeld, niet aannemelijk had weten te maken, (ii) dat blijkens advertenties sedert begin 1997 zowel de showroom als de zogeheten PC Dump zes dagen per week vier uur per dag waren geopend en (iii) dat appellant niet aannemelijk had weten te maken dat de werkzaamheden aldaar voornamelijk door zijn echtgenote werden verricht. Gedaagde achtte het zonder toestemming van of mededeling aan gedaagde en zonder overleg met de bedrijfsarts verrichten van werkzaamheden tijdens ziekte een ernstig plichtsverzuim dat strafontslag rechtvaardigde.


2. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog onder meer dat, nu de bedrijfsomzet in 1998 ten opzichte van 1997 bijna verdrievoudigd was en ervan uitgegaan kon worden dat appellant een niet onaanzienlijk aandeel in de bedrijfsactiviteiten had gehad, er geen sprake was van marginale nevenwerkzaamheden zoals appellant had gesteld.


3. De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop die uitspraak berust. Met betrekking tot de twee nadere grieven die appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad als volgt.


3.1. Appellants nieuwe stelling dat hij in 1999 niet ziek was, kan er bij gebreke aan enige toelichting niet toe leiden dat het hoger beroep slaagt. Mocht appellant hebben bedoeld te betogen dat artikel E13, tweede lid, aanhef en onder c, van de SAW, gelet op de beëindiging van zijn WAO-conforme uitkering per 1 september 1997 niet kon worden toegepast, dan kan de Raad appellant daarin niet volgen. Nu de bedrijfsarts op 12 februari 1999 had verklaard dat appellant wegens de problemen met zijn rug niet in staat was zijn betrekking te vervullen - welk oordeel door appellant ook steeds krachtig werd onderschreven - mocht gedaagde ervan uitgaan dat er sprake was van de situatie in het zojuist genoemde voorschrift bedoeld en was er derhalve aanleiding dat voorschrift toe te passen.


3.2. Ook appellants stelling dat de straf van ontslag buitenproportioneel is, kan de Raad niet onderschrijven. Appellant heeft gedaagde, ook in 1996 toen zijn daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten een aanvang namen en in 1997 toen ze zich geleidelijk uitbreidden, niet over (de omvang van) die activiteiten geïnformeerd en zich daarmee aan doorgaand plichtsverzuim schuldig gemaakt. Voorts kon gedaagde het als een ernstig plichtsverzuim aanmerken dat appellant zich niet, ter beoordeling van de vraag of de nevenwerkzaamheden zijn genezingsproces niet zouden schaden, op enig moment tot de bedrijfsarts heeft gewend. Appellant heeft tenslotte, toen hij eind 1998 en begin 1999 werd opgeroepen om bij gedaagde onderscheidenlijk de bedrijfsarts te verschijnen, maar daaraan vanwege zijn rugklachten geen gehoor heeft gegeven, ten aanzien van zijn nevenwerkzaamheden opnieuw geen open kaart gespeeld. De Raad kan het strafontslag gelet op het samenstel van deze omstandigheden niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim achten.


4. Mitsdien moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Nu de Raad geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt als volgt beslist.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr. J.H. van Kreveld en mr. P.G.M. Zwartkruis als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2002.



(get.) H.A.A.G. Vermeulen.



(get.) M. Pijper.



HD