Centrale Raad van Beroep, 16-10-2002 / 00/2916 WW


ECLI:NL:CRVB:2002:BL7348

Inhoudsindicatie
Toekenning WW-uitkering waarvan de hoogte en de duur nog nader dienen te worden vastgesteld en daarop gedurende 26 weken een maatregel van 35% toe te passen. Niet aannemelijk is dat ontslagname, voordat appellant een andere betrekking had gevonden, redelijkerwijs de enige mogelijkheid was.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2002-10-16
Publicatiedatum
2010-03-12
Zaaknummer
00/2916 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

00/2916 WW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellant], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Namens appellant heeft mr A.J.S.M. Tervoort, advocaat te Amsterdam, op bij beroep-schrift -met bijlagen, waaronder een brief van 19 mei 2000 van psycholoog J.M. Janssen- aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 17 april 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift -met bijlagen- ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 september 2002, waar appellant -zoals tevoren bericht- niet is verschenen en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uwv.



II. MOTIVERING


De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.


Appellant is vanaf 1980 gedurende 36 uur per week in wisselende diensten werkzaam geweest als barkeeper bij café [naam café] te Amsterdam.

Op 1 augustus 1997 heeft appellant de arbeidsovereenkomst met ingang van 29 september 1997 opgezegd, omdat hij zich bedreigd voelde door klanten en het discriminerende gedrag van een collega en van klanten tegen buitenlanders niet meer aankon. Wat hem eveneens hinderde was, dat zijn werkgever niet meer optrad tegen ongewenste klanten.

Op verzoek van zijn werkgever is appellant vanwege vakanties van collega’s blijven werken gedurende de opzegtermijn.

Met ingang van 3 november 1997 is appellant werkzaamheden als sloopbrander gaan verrichten.


Appellant heeft op 15 oktober 1997 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ingediend.

Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat hij weliswaar voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een WW-uitkering, maar dat die uitkering blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is.

Bij het bestreden besluit van 20 januari 1998 heeft gedaagde besloten om voormeld besluit niet te handhaven en appellant met ingang van 29 september 1997 alsnog een uitkering ingevolge de WW toe te kennen waarvan de hoogte en de duur nog nader dienen te worden vastgesteld en daarop gedurende 26 weken een maatregel van 35% toe te passen.

Daarbij heeft gedaagde overwogen dat de ontslagname appellant niet in overwegende mate kan worden verweten nu gebleken is dat appellant zich bedreigd voelde door bepaalde klanten en diverse malen heeft geprobeerd om zijn werkgever er toe te bewegen de ongewenste bezoekers uit het café te weren.


In hoger beroep is namens appellant het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit stand kan houden, bestreden.

Gepleit is voor het aannemen van het ontbreken van verwijtbaarheid. Daartoe is in hoofdzaak aangevoerd dat voortzetting van het dienstverband van appellant zou leiden tot schade van zijn gezondheid en van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd.

Voorts is nog gewezen op de -in rubriek I vermelde- verklaring van de behandelend psycholoog die appellant voor zijn ontslagname zou hebben geadviseerd te stoppen met werken, omdat in dat werk een directe bedreiging voor zijn gezondheid lag.


De Raad overweegt als volgt.


Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of de ook - door gedaagde onderkende - aan de voortzetting van de dienstbetrekking verbonden bezwaren zodanig waren dat deze voorzetting redelijkerwijs niet van appellant had kunnen worden gevergd.


Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend en sluit zich in grote lijnen aan bij de overwegingen welke de rechtbank tot dat oordeel hebben geleid.

Ook voor de Raad is niet aannemelijk geworden, dat ontslagname voordat appellant een andere betrekking had gevonden, redelijkerwijs de enige mogelijkheid was.

De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant eerder in een vergelijkbare situatie heeft verkeerd waarin met behulp van de huisarts een oplossing is gevonden.

Voorts wijst de Raad er in dit verband op dat appellant, na opzegging van zijn dienstverband op 1 augustus 1997, gedurende de opzegtermijn is blijven doorwerken tot 29 september 1997.

Dat voortzetting van het dienstverband tot schade van appellants gezondheidstoestand zou leiden, is voor de Raad niet voldoende aannemelijk geworden.

In dat verband wijst hij er in de eerste plaats op dat, anders dan van de zijde van appellant aanvankelijk is betoogd, de psycholoog Janssen, naar wie appellant door zijn huisarts op 5 augustus 1997 is verwezen en met wie hij op 15,18 en 22 september gesprekken heeft gehad, appellant niet vóór zijn ontslagname heeft geadviseerd te stoppen met werken.

Dat is mede de reden dat aan diens verklaring van 19 mei 2000 niet die betekenis toekomt die appellants gemachtigde daaraan gehecht wil zien.


Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gewezen door mr. M. A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. G. Rottier en mr. H.G. Lubberdink als leden, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2002.



(get.) M.A. Hoogeveen.



(get.) P. Boer.


GdJ