Centrale Raad van Beroep, 04-03-2003 / 00/4365 WAO + 01/1262 WAO


ECLI:NL:CRVB:2003:AF8435

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-03-04
Publicatiedatum
2003-05-12
Zaaknummer
00/4365 WAO + 01/1262 WAO
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

00/4365 WAO en 01/1262 WAO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,


en


[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.


Bij besluit van 6 mei 1999 (hierna: besluit 1) heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 3 november 1998, inhoudende de weigering tot terugbetaling van door appellant ingehouden ziekenfondspremie, gegrond verklaard en aan gedaagde toegezegd een bedrag van f 2.328,50 te vergoeden.


De rechtbank Breda heeft het door gedaagde tegen besluit 1 ingestelde beroep bij uitspraak van 12 juli 2000 gegrond verklaard en besluit 1 vernietigd met opdracht aan appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene en met gelasting van vergoeding aan gedaagde van het door haar betaalde griffierecht.


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij het aanvullend beroepschrift heeft appellant tevens overgelegd zijn besluit van 14 november 2000 (hierna: besluit 2), dat in vervolg op de uitspraak van de rechtbank een nieuwe beslissing op het voornoemde bezwaar van gedaagde inhoudt en waarbij dat bezwaar gegrond is verklaard en het bedrag aan schadevergoeding nader is bepaald op f 2.511,90.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 januari 2003, waar namens appellant is verschenen mr. W. Koopman, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen.



II. MOTIVERING


In de aangevallen uitspraak zijn de voor de oordeelsvorming in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden uitvoerig en met juistheid weergegeven. Het komt er - samengevat weergegeven - op neer dat de rechtbank Dordrecht bij uitspraak van

22 september 1995 het besluit van appellants rechtsvoorganger van 16 september 1993 tot intrekking met ingang van 2 november 1993 van de uitkering van gedaagde ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) heeft vernietigd, waarna appellant die uitkering op 25 november 1996 heeft hersteld vanaf 2 november 1993 en op de in verband hiermede gedane nabetaling premie ingevolge de Ziekenfondswet (ZFW) heeft ingehouden. In verband met de aanvankelijke intrekking van haar WAO-uitkering heeft gedaagde zich particulier moeten verzekeren voor ziektekosten. Het Ziekenfonds OZ Zorgverzekeringen Breda (hierna: de verzekeraar) heeft gedaagde op haar verzoek op 13 oktober 1997 f 4.561,83 terugbetaald, zijnde het verschil tussen het volgens de verzekeraar verschuldigde bedrag van f 5.300,27 en de nominale premie ingevolge de ZFW van f 738,44 over de periode van 2 november 1993 tot 25 november 1996. Deze nominale premie zou gedaagde verschuldigd zijn geweest bij behoud van de verplichte verzekering ingevolge de ZFW. Bij besluit 1 heeft appellant zich bereid verklaard tot vergoeding aan gedaagde van het verschil tussen de haar betaalde premie van de particuliere verzekering en de door de verzekeraar vastgestelde restitutie, welk verschil appellant op f 1.280,= heeft gesteld, en een tweetal posten wettelijke rente van tezamen

f 1.048,48. Op 10 juni 1999 betaalde appellant aan gedaagde in verband met besluit 1

f 2.328,50.


Ter zitting van de rechtbank op 27 april 2000 naar aanleiding van het beroep van gedaagde tegen besluit 1 verklaarde de gemachtigde van appellant dat appellant, anders dan in besluit 1 is vermeld, bereid is aan gedaagde in totaal f 2.475,95 te vergoeden. De extra-vergoeding hing met name samen met een gewijzigd standpunt van appellant inzake de te vergoeden wettelijke rente. Dit was voor de rechtbank aanleiding om besluit 1 te vernietigen wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.


Om redenen van proceseconomie heeft de rechtbank tevens beoordeeld of het gewijzigde standpunt van appellant in rechte stand kan houden. Ter zake heeft de rechtbank, voor zover in verband met het hierna te bespreken hoger beroep van appellant van belang, in de eerste plaats geoordeeld dat onjuist is dat appellant bij de berekening van de wettelijke rente over de door gedaagde betaalde particuliere ziektekostenverzekering op de maandelijkse premie van f 177,85 in mindering heeft gebracht een bedrag van f 19,96, zijnde de nominale premie ingevolge de ZFW. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat, indien wordt uitgegaan van de juistheid van de veronderstelling van appellant van maandelijkse betaling van een premie door gedaagde aan de verzekeraar van

f 177,85, de wettelijke rente over de premie van november 1993 met ingang van

1 december 1993 dient te worden berekend en vervolgens ten aanzien van de nadien betaalde termijnen telkens met ingang van een maand later. Onder verwijzing naar artikel 6:119, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgde de rechtbank verder appellant niet in zijn standpunt dat eerst met ingang van 25 november 1997 rente op rente is verschuldigd. De rechtbank oordeelde ten slotte - onder verwijzing naar artikel 6:44 van het B.W. - dat het door de verzekeraar op 13 oktober 1997 aan gedaagde betaalde bedrag in de eerste plaats strekt ter vermindering van de verschenen rente en pas daarna van de hoofdsom en dat bij de betaling door appellant op 10 juni 1999 ook rekening moet worden gehouden met dit artikel.


Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen de hiervoor samengevat weergegeven in de rechtsoverwegingen van de aangevallen uitspraak vastgelegde oordelen van de rechtbank inzake het door appellant ter zitting van de rechtbank betrokken, van besluit 1 afwijkende standpunt, evenwel met uitzondering van het oordeel van de rechtbank inzake de ingangsdata van de verschuldigdheid door appellant van de te berekenen wettelijke rente in verband met de door gedaagde betaalde maandelijkse premie voor haar particuliere ziektekostenverzekering. Ten aanzien van dit laatste heeft appellant in zijn aanvullend beroepschrift alleen gesteld dat gedaagde in haar brief van

29 december 2000 hem heeft meegedeeld dat zij de ziektekostenpremie maandelijks heeft voldaan en heeft hij verder geen grieven geformuleerd. De Raad beschouwt deze oordelen als de partijen bindend, zodat er geen beletsel is appellant in zijn hoger beroep te ontvangen.


Met betrekking tot de berekening van de wettelijke rente in verband met evenbedoelde premie onderschrijft de Raad het standpunt van appellant dat uitgangspunt daarbij is de situatie waarin gedaagde had verkeerd indien aan haar over de betreffende periode wel een WAO-uitkering was verstrekt. In die situatie had gedaagde, aldus appellant, ook maandelijks de nominale premie ingevolge de ZFW moeten voldoen. Met appellant is de Raad van oordeel dat deze premie bij de evenbedoelde berekening buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat deze premie inmiddels door inhouding bij gedaagde door de verzekeraar is betaald, doet hieraan niet af.

De Raad acht daarentegen het oordeel van de rechtbank inzake het moment van verschuldigdheid van rente op rente in verband met artikel 6:119, tweede lid, van het BW juist. Gelet op dit artikellid in verbinding met het eerste lid, is hiervoor immers niet, zoals appellant meent, bepalend de eerste dag na het verzoek van gedaagde om schadevergoeding van 24 november 1997, maar de eerste dag van de maand volgend op de onderscheiden perioden waarover appellant wegens vertraging in de voldoening van een geldsom (in dit geval de WAO-uitkering) in verzuim is geweest, welke vertraging heeft geleid tot de door appellant op zichzelf niet betwiste ingangsdatum van de wettelijke rente in verband met de hiervoorgenoemde, door gedaagde maandelijks betaalde, premie.

In verband met de samenhang tussen de artikelen 6:43 en 6:44 van het BW, alsmede in aanmerking genomen dat artikel 6:43, eerste lid, de aanwijzing door de schuldenaar vooropstelt bij de mogelijke toerekening van een betaling op twee of meer verbintenissen is de Raad met appellant, en anders dan de rechtbank, van oordeel dat de verzekeraar en appellant met hun nabetalingen niet de betaling van wettelijke rente hebben beoogd maar de door hen verschuldigde hoofdsom. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, zoals appellant in hoger beroep heeft gesteld, gedaagde niet te kennen heeft gegeven dat zij de nabetalingen in eerste instantie slechts als betaling van wettelijke rente heeft aanvaard en dat gedaagde zich tegenover de verzekeraar en appellant ook niet heeft beroepen op artikel 6:44 van het BW voor het aannemen van een andersluidende toerekening van de nabetalingen.


Uit al het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, moet worden vernietigd wat betreft de oordelen van de rechtbank omtrent het in mindering brengen van de nominale premie ingevolge de ZFW bij de berekening van de wettelijke rente over de nabetalingen inzake de premie van gedaagde voor de particuliere ziektekostenverzekering en omtrent de toerekening aan welke verbintenis van de nabetalingen aan gedaagde door de verzekeraar en appellant, en dat deze uitspraak, voor zover overigens aangevochten, moet worden bevestigd.


De Raad overweegt voorts dat appellant hangende de procedure in hoger beroep besluit

2 heeft genomen in overeenstemming met zijn in het aanvullend beroepschrift verwoorde gronden van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Besluit 2 houdt in een nieuwe beslissing op het bezwaar van gedaagde tegen het primaire besluit van

3 november 1998, waarmee naar het oordeel van de Raad niet geheel wordt tegemoet gekomen aan het beroep van gedaagde tegen besluit 1. Overeenkomstig de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep van gedaagde geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2.


Ten aanzien van het beroep van gedaagde tegen besluit 2 is de Raad - onder verwijzing naar zijn hiervoor gegeven overwegingen met betrekking tot het door de rechtbank beoordeelde gewijzigde standpunt van appellant ten opzichte van besluit 1, voor zover dit door appellant in hoger beroep is aangevochten - reeds van oordeel dat dit beroep gegrond is, dat besluit 2 moet worden vernietigd en dat appellant een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad tekent hierbij nog wel aan dat hij, mede bij gebreke van een zelfstandig hoger beroep van gedaagde tegen de in de aangevallen uitspraak vervatte afwijzing van haar verzoek in eerste aanleg tot veroordeling van appellant tot vergoeding aan haar van de door haar gestelde kosten van correspondentie, administratie en advies in de bezwaarfase en in die eerste aanleg, met betrekking tot dit verzoek geen aanleiding ziet thans tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank ter zake in de aangevallen uitspraak met juistheid heeft gegeven.


Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad tenslotte geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wat betreft de daarin gegeven oordelen door de rechtbank omtrent het in mindering brengen van de nominale premie ingevolge de ZFW bij de berekening van de wettelijke rente over de nabetalingen inzake de premie van gedaagde voor de particuliere ziektekostenverzekering en omtrent de toerekening aan welke verbintenis van de nabetalingen aan gedaagde door de verzekeraar en appellant;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.


Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2003.


(get.) K.J.S. Spaas.


(get) J.W. Engelhart.


AF