Centrale Raad van Beroep, 04-04-2003 / 02/1378 WSF e.a.


ECLI:NL:CRVB:2003:AF8700

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-04-04
Publicatiedatum
2003-05-14
Zaaknummer
02/1378 WSF e.a.
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2003, 157
Uitspraak

02/1378 WSF en 02/2641 WSF


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, appellante,


en


[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 28 juni 2000 heeft appellante vastgesteld dat gedaagde in het jaar 1996 meerinkomen heeft gehad in verband waarmee hij een bedrag van € 4.569,51 (f 10.069,87) aan de Informatie Beheer Groep is verschuldigd. Hierbij is aangegeven dat de vordering is samengesteld uit € 2.314,28 (f 5.100,-) meerinkomen, een boete van € 1.633,61 (f 3.600,-), alsmede rente over het meerinkomen en de boete ten bedrage van € 621,62 (f 1.369,87).


Bij besluit van 23 augustus 2000 heeft appellante het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 28 juni 2000 ongegrond verklaard.


In de loop van de tegen het besluit van 23 augustus 2000 ingestelde beroepsprocedure heeft appellante, onder intrekking van dat besluit, een nader besluit op bezwaar d.d. 3 april 2001 genomen, waarbij, naar aanleiding van uitspraken van het College van beroep studiefinanciering van 15 december 2000, de vordering wegens meerinkomen over het jaar 1996 is verlaagd en nader is vastgesteld op € 2.391,66 (f 5.270,53). Daarbij is aangegeven dat deze vordering is samengesteld uit € 1.967,77 (f 4.336,39) meer-inkomen en een boete van € 423,89 (f 934,14), en dat rente over het meerinkomen en de boete eerst is verschuldigd met ingang van 1 juli 2000.


De rechtbank Rotterdam heeft het tegen het besluit van 23 augustus 2000 ingestelde beroep onder toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 3 april 2001. Bij uitspraak van 14 december 2001 heeft de rechtbank, na behandeling van het geding ter zitting te Dordrecht, het tegen het besluit van 23 augustus 2000 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep voor zover geacht te zijn gericht tegen het nadere besluit van 3 april 2001 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, een en ander met een aanvullende beslissing inzake vergoeding van griffierecht.


Appellante heeft op bij beroepschrift van 20 maart 2002 (met bijlage) aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 3 april 2001 gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd.


Nadien heeft appellante een nader besluit op bezwaar van 15 maart 2002 aan de Raad gezonden waarbij zij uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Bij dit besluit is gemotiveerd aangegeven dat, en waarom, de vordering wegens meerinkomen over 1996 wordt gehandhaafd op de bedragen genoemd in het vernietigde besluit van 3 april 2001.


Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 15 april 2002, ingediend.


Bij brief van 15 april 2002 heeft appellante enige nadere stukken in het geding gebracht.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 februari 2003, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. F. Hummel-Fekkes, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep, als haar gemachtigde, en waar gedaagde met voorafgaand bericht niet is verschenen.


II. MOTIVERING


De Raad merkt allereerst op dat de rechtbank, ofschoon de toepasselijke wettelijke voorschriften daarin niet voorzien, zitting heeft gehouden buiten haar arrondissement. De Raad ziet evenwel, met analogische toepassing van artikel 28 van de Beroepswet, geen aanleiding om hieraan gevolgen te verbinden.


Partijen verschillen van mening over de beantwoording van de vraag of de aan gedaagde opgelegde vordering wegens meerinkomen over het jaar 1996 voor wat betreft het onderdeel van het meerinkomen, gebaseerd op artikel 26, zesde lid, aanhef en onder a, van de Wet op de studiefinanciering (WSF), ten bedrage van € 1.967,77 (f 4.336,39) in rechte stand kan houden. Het gaat er daarbij met name om of het aan gedaagde in 1996 uitbetaalde Shell-wezenpensioen dient te worden meegeteld bij de berekening van diens toetsingsinkomen in dat jaar.


Appellante heeft als haar opvatting te kennen gegeven dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het aan gedaagde toegekende Shell-wezenpensioen tot het toetsingsinkomen dient te worden gerekend als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de WSF. Het naar aanleiding van uitspraken van het College van beroep studiefinanciering van 15 december 2000, gepubliceerd in USF 2000-2001, 24 en 25, door gedaagde opgestelde, bij het nemen van het nadere besluit van 3 april 2001 toegepaste, beleid, neergelegd in de beleidsregel 'Toepassing maatregelen Wet studiefinanciering (WSF) 2000 met terugwerkende kracht inzake de eigen bijdrage van de studerende' van 18 juni 2001, gepubliceerd in Gele Katern, nr. 18a deel 1, brengt naar haar oordeel niet mee dat bedoeld Shell-wezenpensioen bij de vaststelling van het toetsingsinkomen gedeeltelijk buiten beschouwing dient te blijven. Bedoeld Shell-wezenpensioen kan naar het oordeel van appellante niet worden gelijkgesteld met een uitkering in de zin van de Algemene nabestaandenwet (Anw), dan wel met een uitkering in de zin van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). Voor laatstbedoelde uitkeringen voorziet het beleid er in dat een deel van de ingevolge die uitkeringen uitbetaalde bedragen niet wordt meegeteld bij de berekening van het toetsingsinkomen.


Gedaagde heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld dat bovengenoemde vraag ontkennend dient te worden beantwoord en daartoe aangegeven dat het door hem ontvangen Shell-wezenpensioen dient te worden gelijkgesteld met een uitkering in de zin van de Anw, dan wel van de AWW. Ook van het door hem ontvangen Shell-wezenpensioen behoort zijns inziens derhalve een deel te worden vrijgesteld en niet te worden meegeteld bij de berekening van het toetsingsinkomen.


De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellante terecht heeft beslist dat het door gedaagde ontvangen Shell-pensioen niet kan worden gelijkgesteld met een uitkering in de zin van de Anw, dan wel van de AWW, als bedoeld in artikel 3 van de hierboven bedoelde beleidsregel. De situatie waarin gedaagde verkeert, verschilt naar 's Raads oordeel in relevante mate van de situatie waarin een studerende verkeert die een uitkering ontvangt in de zin van de Anw, dan wel van de AWW. In de situatie dat een studerende laatstbedoelde uitkering ontvangt, gaat het om een studerende die, gelet op de toepasselijke wettelijke bepalingen, volle wees is, zodat van een ouderlijke bijdrage, anders dan in de situatie van gedaagde die immers halfwees is, geen sprake meer kan zijn. Daarnaast gelden voor de verstrekking van een uitkering ingevolge de Anw, dan wel de AAW nog andere vereisten, die afwijken van de voorwaarden waaronder het Shell-wezenpensioen wordt verstrekt, waarvan de Raad met name noemt de voorwaarde betreffende de leeftijd tot welke het recht op de uitkering, respectievelijk het Shell-wezenpensioen bestaat. In de bedoeling van de wetgever, die bij de totstandkoming van de WSF 2000 aanleiding heeft gezien een vrijstelling op te nemen voor een door een studerende ontvangen uitkering ingevolge de Anw - welke vrijstelling ingevolge de opgestelde en toegepaste beleidsregel met terugwerkende kracht wordt meegenomen bij de berekening van het toetsingsinkomen van een studerende - ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. Hij wijst er daartoe op dat deze vrijstelling slechts een beperkte strekking toekomt en de bedoeling van de wetgever met de invoering van die beperkte vrijstelling, voor zover blijkende uit de parlementaire stukken met betrekking tot het amendement waarmee deze vrijstelling in artikel 3:17, vierde lid, van de WSF 2000 is opgenomen, geen grond biedt om aan die vrijstelling een ruimere strekking toe te kennen.


Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep doel treft, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden vernietigd. Het inleidende beroep dient, voor zover geacht te zijn gericht tegen het besluit van 3 april 2001, alsnog ongegrond te worden verklaard. Aan het nadere, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 15 maart 2002 komt zodoende de grond te ontvallen, zodat ook dat besluit dient te worden vernietigd.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidende beroep, voor zover het wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 3 april 2001, alsnog ongegrond;

Vernietigt het nadere besluit op bezwaar van 15 maart 2002.


Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 april 2003.


(get.) J. Janssen.



(get.) N.E. Nijdam.