Centrale Raad van Beroep, 20-03-2003 / 01/1493 WUV e.a.


ECLI:NL:CRVB:2003:AF9741

Inhoudsindicatie
-
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-03-20
Publicatiedatum
2003-06-10
Zaaknummer
01/1493 WUV e.a.
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JSV 2003, 211
Uitspraak

01/1493 WUV tot en met 01/1500 WUV en 01/6156 WUV


U I T S P R A A K


in de gedingen tussen


1. [eiser1], wonende te [woonplaats 1] (Israël),

2. [eiser2], wonende te [woonplaats 2] (Israël),

3. [eiser3], wonende te [woonplaats 3] (Israël),

4. [eiseres4], wonende te [woonplaats 4] (Israël),

5. [eiseres 5], wonende te Kityat Ono (Israël),

6. [eiser 6], wonende te [woonplaats 3] (Israël),

7. [eiser 7], wonende te [woonplaats 3] (Israël),

8. [eiser 8] wonende te [woonplaats 4] (Israël), en

9. [eiseres 9], wonende te [woonplaats 5] (Israël), eiseressen,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Onder dagtekening 22 december 2000, respectievelijk met kenmerk JZ/R70/2000/1212, JZ/R70/2000/1219, JZ/R70/2000/1217, JZ/R70/2000/1218, JZ/R70/2000/1237, JZ/R70/2000/1221, JZ/R70/2000/1210 en JZ/R70/2000/1220 heeft verweerster ten aanzien van de hierboven onder 1 tot en met 8 genoemde eiseressen een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Onder dagtekening 31 augustus 2001, met kenmerk JZ/H70/2001/787, heeft verweerster ten aanzien van de hierboven onder 9 genoemde eiseres een besluit ter uitvoering van de Wet genomen.


Tegen deze besluiten heeft mr. E. Unger, advocaat te Amsterdam, namens eiseressen bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) is uiteengezet waarom eiseressen het met het ten aanzien van hen genomen besluit niet eens zijn. Van de zijde van eiseressen is voorts nog een artikel genaamd 'Writing as a medium in group psychotherapy with holocaust survivors' aan de Raad gezonden.


Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.


Mr. E. Unger heeft vervolgens de Raad nog een stuk doen toekomen.


De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 6 februari 2003, waar mr. E. Unger is verschenen namens eiseressen, en waar verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Als van de zijde van eiseressen opgeroepen deskundigen zijn verschenen en gehoord prof. dr. B.J.N. Schreuder, voorheen directeur van Centrum '45 te Oegstgeest en thans psychiater/directeur bij stichting De Meeren te Amsterdam, alsmede C. Cune, begeleidster van schrijfgroepen van het centrum voor psycho-sociale begeleiding Elah te Tel Aviv.



II. MOTIVERING


Eiseressen zijn erkend als vervolgde in de zin van de Wet. Voor zover hier van belang is aanvaard dat zij psychische klachten ondervinden die in het door de Wet vereiste verband met de vervolging staan.


Bij de bestreden besluiten heeft verweerster, na daartegen gemaakt bezwaar, haar weigering gehandhaafd om eiseressen met toepassing van artikel 20 van de Wet in aanmerking te brengen voor vergoeding van kosten van (vervoer in verband met en) deelname aan een van de schrijfgroepen van het centrum voor psycho-sociale begeleiding Elah te Tel Aviv (hierna: de schrijfgroep Elah) en haar weigering om de aan eiseressen met toepassing van artikel 21 van de Wet ter zake verstrekte tegemoetkoming toe te kennen voor een langere duur dan twee jaar.


In beroep is namens eiseressen primair betoogd dat aan hen ten onrechte terzake van de kosten van (vervoer in verband met) deelname aan de schrijfgroep Elah geen vergoeding op grond van artikel 20 van de Wet is toegekend; subsidiair is betoogd dat de toegekende vergoeding op grond van artikel 21 van de Wet ten onrechte is beperkt tot twee jaar.


De Raad overweegt dienaangaande het volgende.


A. met betrekking tot de gehandhaafde geweigerde vergoeding van de kosten verbonden aan (vervoer in verband met en) deelname aan de schrijfgroep Elah.


Artikel 20 van de Wet bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de vervolgde wegens ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd, geneeskundige behandeling en verpleging behoeft, de daaraan verbonden ten laste van de vervolgde komende noodzakelijke kosten, alsmede de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen volledig worden vergoed.


Ten aanzien van kosten ter zake van (vervoer in verband met en) deelname aan een schrijfgroep heeft verweerster in november 1999 als uitgangspunt geformuleerd dat die kosten eerst voor vergoeding op grond van artikel 20 van de Wet in aanmerking worden genomen indien deelname aan een schrijfgroep door een erkend psychotherapeut is geïndiceerd ter aanvulling op dan wel in het kader van psychotherapie en indien deelname door een erkende psychotherapeut wordt begeleid; verder heeft verweerster als voorwaarden gesteld dat de frequentie van de groepssessies maximaal 24 bedraagt en de duur van de deelname niet meer dan twee jaar bedraagt.


Verweerster heeft zich ten aanzien van eiseressen op het standpunt gesteld dat een indicatiestelling door een erkend psychotherapeut ontbreekt en dat evenmin sprake is van begeleiding door een erkend psychotherapeut. Verder voldoet de deelname van eiseressen aan de schrijfgroep Elah - aldus verweerster - niet aan de voorwaarde dat de frequentie van de groepssessies is beperkt tot 24 en de duur van de deelname maximaal twee jaar bedraagt.


Van de zijde van eiseressen is betoogd dat aan de voorwaarden voor indicatiestelling en begeleiding is voldaan. De door verweerster gehanteerde voorwaarden ter zake van frequentie en duur achten eiseressen niet adequaat.


De Raad dient in de eerste plaats een oordeel te geven over de door verweerster in het kader van de toepassing van artikel 20 van de Wet geformuleerde uitgangspunten terzake van vergoeding van kosten verbonden aan deelname aan een schrijfgroep. Verweerster heeft die uitgangspunten vastgesteld op basis van het advies van R. Loonstein, arts bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Laatstgenoemde heeft zich bij zijn advies gebaseerd op informatie van dr. D. Brom, psycholoog verbonden aan AMCHA in Israël, informatie van M.J. Seijffers, arts bij het Nederlands Informatie Kantoor te Israël, en brieven van C. Cune, begeleidster van de schrijfgroep Elah.


De Raad onderschrijft de zienswijze van verweerster dat met evenbedoelde uitgangspunten de situatie waarin sprake is van deelname aan een schrijfgroep als een in een medische behandeling kaderende noodzakelijke voorziening adequaat wordt afgebakend van deelname aan een schrijfgroep die evenbedoelde medische nood-zakelijkheid ontbeert. De eisen ten aanzien van zowel de indicatiestelling als de begeleiding die het karakter van een medische behandeling van de schrijftherapie benadrukken acht de Raad niet rechtens onaanvaardbaar of rechtens onjuist. Ook uit de verklaring van de deskundige prof. dr. B.J.N. Schreuder heeft de Raad opgemaakt dat duidelijke professionele indicatiestelling, behandelplan en evaluatie van de behandel-resultaten essentieel zijn om van een therapie te kunnen spreken. De door verweerster gestelde aanvullende voorwaarden acht de Raad evenmin rechtens onaanvaardbaar of rechtens onjuist. Waar zowel dr. D. Brom als de ter zitting gehoorde deskundige prof. dr. B.J.N. Schreuder hebben verklaard dat de hier aan de orde zijnde therapie in het algemeen een kortdurende dient zijn, ziet de Raad in de verklaring van prof. dr. B.J.N. Schreuder ter zitting dat de grens wat betreft de duur bij een meer op ervaringen gerichte therapie met een minder directieve aanpak minder gemakkelijk valt te leggen, geen grond gelegen verweerster in haar algemene uitgangspunt wat betreft de duur van de therapie niet te volgen. Te minder nu het hier onomstreden gaat om een nog in ontwikkeling zijnde therapievorm. De overigens in het dossier voorhanden zijnde informatie over schrijfgroeptherapie in het algemeen heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden.


Naar aanleiding van de vraag of in de gevallen van eiseressen aan meerbedoelde voorwaarden is voldaan, overweegt de Raad dat ook hij heeft moeten vaststellen dat ten aanzien van geen van de eiseressen is gebleken van een indicatiestelling als hierboven bedoeld. Sommige eiseressen hebben weliswaar gesteld dat deelname aan de schrijfgroep door een psychotherapeut dan wel behandelend arts was voorgeschreven, maar stukken die inzicht geven in de psychische gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van de verwijzing en de met deelname aan de schrijfgroep beoogde verbetering van bedoelde gezondheidstoestand ontbreken. Als zodanig kan de Raad in ieder geval niet zien de algemeen geformuleerde indicatiestelling door C. Cune. Daaraan staat reeds in de weg dat ook die indicatiestelling evenbedoeld inzicht niet geeft.


Naar aanleiding van de bezwaren tegen verweersters standpunt dat de door C. Cune verstrekte begeleiding van de schrijfgroep Elah niet kan worden aangemerkt als de begeleiding door een psychotherapeut zoals door verweerster gevraagd, overweegt de Raad het volgende.


Uit de gedingstukken blijkt dat C. Cune ten tijde hier van belang een maatschappelijk werkster was, gespecialiseerd in psychotherapie, die bij Elah gangbare psycho-therapeutische behandelingen uitvoerde, behandelingen waarvan de kosten door verweerster met toepassing van artikel 20 van de Wet werden vergoed. De Raad is met verweerster van oordeel dat hiermee niet zonder meer is gegeven dat C. Cune tevens moet worden aangemerkt als een voldoende gekwalificeerde begeleidster voor schrijftherapie. De Raad acht de zienswijze van verweerster dat aan begeleiders van deze nog in ontwikkeling zijnde vorm van psychotherapie, met het oog op de vraag of de daaraan verbonden kosten in beginsel met toepassing van artikel 20 van de Wet voor vergoeding in aanmerking komen, andere/zwaardere eisen mogen worden gesteld dan voor gangbare vormen van psychotherapie niet onjuist.


Ten slotte moet worden vastgesteld dat de schrijfgroep Elah onbetwist niet voldoet aan de gestelde eisen wat betreft frequentie en duur.


Uit het voorgaande volgt dat het beroep van eiseressen, voor zover gericht tegen de gehandhaafde weigering eiseressen de kosten van (vervoer in verband met en) deelname aan de schrijfgroep te vergoeden, niet slaagt.


B. met betrekking tot de gehandhaafde duur van de tegemoetkoming in de kosten van (vervoer in verband met en) deelname aan de schrijfgroep Elah.


Ingevolge artikel 21 van de Wet is verweerster bevoegd een tegemoetkoming te verlenen in de ten laste van de vervolgde blijvende kosten van voorzieningen verband houdend met ziekten en gebreken als bedoeld in artikel 20, welke voorzieningen strekken tot verbetering van betrokkenes levensomstandigheden.


Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dit brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of gezegd kan worden dat verweerster niet in redelijkheid kon beslissen van haar hiervoor omschreven bevoegdheid geen gebruik te maken dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel.


Verweersters weigering de aan eiseressen met toepassing van artikel 21 van de Wet toegekende tegemoetkoming van de kosten van (vervoer in verband met en) deelname aan de schrijfgroep Elah toe te kennen voor een langere duur dan twee jaar is in overeenstemming met het door haar ter zake geformuleerde beleid.


De Raad is van oordeel dat van dit beleid, dat eveneens tot stand is gekomen op basis van hogervermeld advies van de arts R. Loonstein, niet kan worden gezegd dat het niet is gelegen binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Dat verweerster ten aanzien van creatieve activiteiten op beeldend gebied of op het terrein van drama, muziek of dans een beleid hanteert ingevolge welk een tegemoetkoming kan worden verleend tot maximaal f 150,-- per maand voor een periode van ten hoogste drie jaar, maakt dit naar het oordeel van de Raad niet anders.


Hetgeen van de zijde van eiseressen overigens is aangevoerd heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen leiden dat verweerster bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot de omstreden weigering de tegemoetkoming voor langere duur dan twee jaar toe te kennen, had kunnen komen. De Raad merkt hierbij nog op dat, zoals van de zijde van verweerster ter zitting is bevestigd, in een individueel geval vanwege zich in dat geval voordoende bijzondere omstandigheden aanleiding kan worden gevonden de duur van de voorziening te verlengen.


Dit betekent dat het beroep van eiseressen ook op dit punt faalt.


Een en ander leidt tot de conclusie dat de onderhavige beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.


De Raad acht geen termen aanwezig om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van eiseressen.


Beslist wordt dan ook als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart de beroepen ongegrond.


Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2003.


(get.) W.D.M. van Diepenbeek.


(get.) A. Kovács.


HD

20.02