Centrale Raad van Beroep, 24-04-2003 / 01/351 BPW


ECLI:NL:CRVB:2003:AH2885

Inhoudsindicatie
Verzoek tot verhoging invaliditeitspercentage. Geen geneeskundig onderzoek als bedoeld in art. 13 WUBO.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-04-24
Publicatiedatum
2003-07-07
Zaaknummer
01/351 BPW


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

01/351 BPW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


de erven van thans wijlen [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbend te [woonplaats], eisers,


en


de Raadskamer WBP van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 15 december 2000, kenmerk JZ/BP/85651/272.64.1, heeft verweerster ten aanzien van de erven en/of rechtverkrijgenden van [betrokkene] (hierna: betrokkene) een besluit genomen ter uitvoering van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dat besluit hebben eisers bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eisers het met het bestreden besluit niet eens zijn.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 maart 2003. Aldaar is namens eisers verschenen M.P.M.M. Gorts, wonende te Baarlo, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.M.H. Kok, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken heeft verweerster bij beschikking van 31 oktober 1996 aanvaard dat betrokkene, geboren [in] 1909 en overleden [in] 2000, behoort tot de deelnemers aan het verzet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet. Bij beschikking van 18 februari 1997 is, na geneeskundig onderzoek, het percentage van de invaliditeit van betrokkene ten gevolge van psychische klachten verband houdend met het verzet blijvend vastgesteld op 20 en is hem met ingang van 1 mei 1996 een buitengewoon pensioen krachtens de Wet toegekend van 20% van f 2.700,--, zijnde het wettelijk minimum, per jaar. Na daartegen gemaakt bezwaar is de ingangsdatum daarvan bij besluit van 29 juli 1997 nader vastgesteld op 1 mei 1995.

Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene van juni 1998 om verhoging van het invaliditeitspercentage in verband met toegenomen verzetsgerelateerde psychische klachten heeft verweerster bij besluit van 19 februari 1999, na geneeskundig onderzoek, het percentage van de invaliditeit nader op blijvend 40 vastgesteld en het buitengewoon pensioen te rekenen vanaf 1 juni 1998 nader vastgesteld op 40% van f 2.700,-- per jaar.


In april 2000 heeft betrokkene zich tot verweerster gewend met het verzoek tot verdere verhoging van het invaliditeitspercentage in verband met verergering van zijn psychische klachten. Bij besluit van 21 augustus 2000, zoals gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster dat verzoek in navolging van de adviezen van haar geneeskundig adviseurs afgewezen op de grond dat de invaliditeit als gevolg van de in verband met het verzet geoordeelde psychische klachten van betrokkene niet is gestegen boven 40%.


In beroep hebben eisers aangevoerd dat verweerster in het kader van de voorbereiding van de beslissing op het verzoek van april 2000 betrokkene niet meer persoonlijk door een arts heeft laten onderzoeken, zodat niet op basis van een onderzoek van betrokkene is beoordeeld of er sprake was van verdere verergering van de verzetsgerelateerde klachten.


De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd, in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt


In artikel 41, eerste lid, van de Wet wordt bepaald dat, indien de verwonding, verminking, ziekten of gebreken als bedoeld in artikel 4 van de Wet de deelnemer aan het verzet in een toestand brengen die, had deze op het tijdstip van toekenning van het buitengewoon pensioen bestaan, hem recht zou hebben gegeven op een hoger buitengewoon pensioen dan verleend werd, hij op een door of namens hem ingediende aanvraag alsnog in het genot wordt gesteld van dat hoger buitengewoon pensioen.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Wet wordt geen buitengewoon pensioen verleend of gewijzigd, zonder dat over het ontstaan, de aard en de gevolgen van de verwonding, verminking ziekten of gebreken, welke recht geven op buitengewoon pensioen een geneeskundig onderzoek heeft plaatsgehad en daarbij de invaliditeitspercentages zijn vastgesteld.


Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (onder andere in zijn uitspraak van 3 mei 1994, nr. BPW 1993/11, gepubliceerd in

AB 1994, 395) zijn ook ingeval van een aanvraag op grond van artikel 41 van de Wet de voorschriften van artikel 13 van de Wet, onder andere ter zake van geneeskundig onderzoek, onverkort van toepassing.

Op basis van de voorhanden gedingstukken stelt de Raad vast dat verweerster ter voorbereiding van haar beslissing op het verzoek van betrokkene van april 2000 tot wijziging van het invaliditeitspercentage geen geneeskundig onderzoek als bedoeld in artikel 13 van de Wet heeft doen uitvoeren. Mitsdien heeft verweerster in strijd gehandeld met genoemd wettelijk voorschrift en komt het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking.


In aanmerking genomen dat betrokkene [in] 2000 is overleden en namens eisers ter zitting uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat in dezen een finale beslissing van het geschil wordt gewenst, zal de Raad terzake een oordeel geven.


Op basis van de voorhanden gedingstukken stelt de Raad vast dat het verzoek van betrokkene om verhoging van het invaliditeitspercentage niet anders is onderbouwd dan met de stelling dat zijn psychische klachten zijn toegenomen.

Ter beoordeling daarvan is de geneeskundig adviseur van verweerster, de arts A.S.E.P. Textor, uitgegaan van de beschikbare medische gegevens die aan de eerdere besluitvorming ten grondslag hebben gelegen en van een recente verklaring van de huisarts van betrokkene, die heeft gesteld dat de decompensatie van het hart met maximale medicatie goed wordt gehouden en dat de dementie duidelijk is toegenomen. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de verzetsgerelateerde invaliditeit ten gevolge van psychische klachten sinds zijn laatste onderzoek van 9 februari 1999 niet is verergerd. In de bezwaarschriftprocedure is deze zienswijze na heroverweging bevestigd door de geneeskundig adviseur, de arts G.M. van der Molen. In navolging van deze adviezen heeft verweerster naar het oordeel van de Raad op goede gronden kunnen vaststellen dat van toegenomen verzetsgerelateerde psychische klachten, die tot een verhoging van het vastgestelde invaliditeitspercentage van 40 zouden moeten leiden, niet is gebleken.


Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.


De Raad acht ten slotte termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerster te veroordelen in de kosten van eisers, die de Raad begroot op € 32,40 als reiskosten.


De Raad beslist als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 15 december 2000 in stand blijven;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eisers, groot € 32,40, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad € 27,23 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eisers dient te worden vergoed.


Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2003.


(get.) W.D.M. van Diepenbeek.


(get.) A. Kovács.