Centrale Raad van Beroep, 11-09-2003 / 02/3131 AW


ECLI:NL:CRVB:2003:AK4558

Inhoudsindicatie
Is er sprake van zodanig plichtsverzuim door de gerechtssecretaris dat de straf van ontslag evenredig is?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-09-11
Publicatiedatum
2003-09-18
Zaaknummer
02/3131 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2004/5 met annotatie van Kluwer
Uitspraak

02/3131 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


het bestuur van de Rechtbank Haarlem, als rechtsopvolger van de Minister van Justitie, appellant,


en


[gedaagde], wonende buiten Nederland, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 april 2002, nr. AW 00/1759, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Nadien zijn de beroepsgronden aangevuld en zijn nadere stukken in het geding gebracht.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 31 juli 2003, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. J.C. Binnerts, advocaat te Haarlem.

Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Meerman-Padt, eveneens advocaat te Haarlem. Als van de zijde van appellant aangebrachte getuige is verschenen en gehoord [naam getuige], wonende te [woonplaats], destijds leidinggevende van gedaagde.


II. MOTIVERING


1.1. In verband met de inwerkingtreding op 1 januari 2002 van de Wet organisatie en bestuur gerechten (Stb. 2001, 582) en het Besluit uitoefening rechtspositionele bevoegdheden gerechtsambtenaren en ambtenaren bureau Raad voor de rechtspraak (Stb. 2001, 617), heeft de Raad het bestuur van de Rechtbank Haarlem als rechtsopvolger van de Minister van Justitie aangemerkt.

Hierna wordt onder appellant mede begrepen de Minister van Justitie.


2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


2.1. Gedaagde, laatstelijk werkzaam als gerechtssecretaris bij het kantongerecht [vestigingsplaats], is in september 1998 met zijn uit Thailand afkomstige echtgenote en hun jonge kind voor enkele maanden voor familiebezoek en vakantie naar Thailand vertrokken. Op 11 januari 1999 heeft gedaagde telefonisch vanuit Nederland aan zijn unitcoördinator medegedeeld dat zijn echtgenote op 3 januari 1999 in Thailand was overleden aan een hartstilstand en aldaar was gecremeerd. De volgende dag heeft het kantongerecht een rouwkaart ontvangen. In verband met deze ingrijpende gebeurtenis en de zorg voor zijn kind is aan gedaagde eerst buitengewoon verlof, vervolgens ziekteverlof en daarna nog vakantieverlof verleend.


2.2. In april 1999 zijn enkele functionarissen van het kantongerecht door het Interregionaal Fraudeteam gehoord in verband met verdenking van verzekeringsfraude door gedaagde. Op 27 juli 1999 is gedaagde in verband met die verdenking aangehouden en in verzekering gesteld. Na zijn heenzending op 29 juli 1999 heeft gedaagde door middel van een kort briefje aan zijn superieuren medegedeeld dat zijn echtgenote hem vanuit Thailand had opgebeld en had verteld dat ze haar overlijden in scene had gezet en dat ze inmiddels weer bij hem thuis was.


2.3. Bij brief van 9 augustus 1999 heeft appellant gedaagde zijn voornemen bekend gemaakt hem vanwege ernstig plichtsverzuim disciplinair te straffen met onvoorwaardelijk ontslag en vooruitlopend daarop te schorsen. Gedaagde is daarbij in de gelegenheid gesteld om zich schriftelijk en mondeling te verantwoorden. Tevens is hem gedurende de procedure de toegang tot de werkplek ontzegd.


2.4. In zijn schriftelijke reactie op dit voornemen heeft gedaagde aangevoerd dat appellant met het strafvoornemen te ver op de zaken vooruit loopt, omdat er slechts sprake is verdenkingen en heeft hij bezwaar gemaakt tegen de ontzegging van de toegang.


2.5. Bij besluit van 8 september 1999 heeft appellant gedaagde met onmiddellijke ingang wegens ernstig plichtsverzuim ontslagen. Appellant heeft daarbij overwogen dat zijn strafbevoegdheid niet afhankelijk is van een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter en dat de verdenking ernstige afbreuk doet aan het vertrouwen in gedaagdes functioneren en aan diens geloofwaardigheid als medewerker van de rechterlijke organisatie. Volgens appellant heeft gedaagde zich niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt (onder meer) omdat hij in het telefonisch contact met zijn leidinggevende de indruk heeft gewekt dat zijn echtgenote een natuurlijke dood was gestorven en dat zij de volgende dag was gecremeerd. Voorts heeft gedaagde ten onrechte buitengewoon verlof en ziekteverlof genoten en dit niet ongedaan gemaakt en heeft hij in zijn verweer geen feiten en omstandigheden aangedragen die het standpunt van appellant weerleggen of twijfels over de juistheid daarvan oproepen.


2.6. Laatstgenoemd besluit is na bezwaar bij het thans in geding zijnde besluit van 10 juli 2000 gehandhaafd.


3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van gedaagde gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe kort gezegd overwogen dat appellant blijkbaar niet aannemelijk heeft geacht dat gedaagde niet wist dat het overlijden was geënsceneerd en heeft aangenomen dat gedaagde bij het telefoongesprek met zijn leidinggevende op 11 januari 1999 niet te goeder trouw was, maar volgens de rechtbank berust dat standpunt van appellant slechts op een vermoeden en wordt het niet onderbouwd met concrete feiten die dit vermoeden bevestigen.


4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.


4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat naar vaste jurisprudentie - zie onder meer CRvB 16 oktober 1997, TAR 1998, 1 - de overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim moet kunnen worden ontleend aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Met appellant is de Raad van oordeel dat daarvan sprake was. De Raad baseert dat oordeel op het navolgende.


4.1.1. De op 11 januari 1999 door gedaagde aan zijn leidinggevende gedane melding van het overlijden en de crematie van zijn echtgenote tijdens hun gezamenlijke vakantie in Thailand was na de brief van 29 juli 1999 van gedaagde definitief onwaar gebleken. In verband met dat beweerde overlijden en de zorg voor het kind was aan gedaagde de maanden daarop buitengewoon verlof dan wel ziekteverlof verleend. Voorts was bekend dat gedaagde problemen had met de verzekering omdat die niet tot uitkering wenste over te gaan en waren intussen collega's en leidinggevenden gehoord in verband met mogelijk door gedaagde gepleegde verzekeringsfraude. Naar het oordeel van de Raad is met deze gegevens in onderling verband en samenhang bezien, bij appellant terecht het gerechtvaardigde vermoeden gerezen dat gedaagde zijn leidinggevende had misleid en is ernstige twijfel gerezen aan gedaagdes integriteit en geloofwaardigheid als gerechtssecretaris. Daarbij heeft appellant terecht als uitgangspunt gehanteerd dat de integriteit van een medewerker van een rechterlijke organisatie boven iedere twijfel verheven dient te zijn.


4.2.2. Daartoe in de gelegenheid gesteld naar aanleiding van het strafvoornemen heeft gedaagde geweigerd opheldering te verschaffen. Hij heeft volstaan met een korte schriftelijke reactie, waarin hij iedere inhoudelijke verantwoording uit de weg is gegaan. Van de gelegenheid om zijn bedenkingen, desgewenst in het bijzijn van een advocaat mondeling toe te lichten heeft hij geen gebruik gemaakt. Ook bij de hoorzitting van de bezwarencommissie is hij niet verschenen. Aldus heeft gedaagde de gerechtvaardigde en ernstige twijfel aan zijn integriteit niet willen (en/of kunnen) wegnemen. Naar het oordeel van de Raad wordt die opstelling niet gerechtvaardigd met de stelling dat een verdenking niet gelijk kan worden gesteld met een veroordeling en dat gedaagde voor onschuldig moet worden gehouden tot zijn schuld is bewezen.


4.3. De Raad is met appellant van oordeel dat gedaagde door zijn gedragingen, waarvoor hij geen plausibele verklaring heeft willen en kunnen geven, het vertrouwen van appellant volledig heeft verspeeld en zich daarmee aan ernstig plichtsverzuim schuldig heeft gemaakt. Gelet daarop en nu noch gesteld, noch gebleken is dat zijn gedragingen hem niet zijn toe te rekenen was appellant bevoegd om gedaagde te straffen. De Raad is voorts met appellant van oordeel dat dit plichtsverzuim zo ernstig is dat de straf van ontslag daaraan niet onevenredig is. De veel later gevolgde strafrechtelijke veroordeling van gedaagde wegens verzekeringsfraude tot een vrijheidsstraf van twaalf maanden bevestigt, gezien de daarbij bewezen verklaarde leidende rol van gedaagde daarin, het standpunt van appellant.


5. Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep van gedaagde alsnog ongegrond moet worden verklaard.


6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.


7. Beslist wordt derhalve zoals in rubriek III vermeld.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 september 2003.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) A. de Gooijer.