Centrale Raad van Beroep, 14-11-2003 / 02/5771 AW, 02/5772 AW


ECLI:NL:CRVB:2003:AN8884

Inhoudsindicatie
De afwijzing op verzoek om vergoedingsvoorziening te handhaven is een besluit. Nadien ingediende declaraties houden een verzoek in terug te komen van. Is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-11-14
Publicatiedatum
2003-12-02
Zaaknummer
02/5771 AW, 02/5772 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

02/5771 AW en 02/5772 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


het Dagelijks Bestuur van het waterschap [naam waterschap 3], appellant, tevens gedaagde, hierna: het bestuur,


en


[betrokkene], wonende te [woonplaats], gedaagde, tevens appellant, hierna: betrokkene.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Zowel namens het bestuur als door betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 19 september 2002, nr. Awb 01/686.


Namens het bestuur is een verweerschrift ingediend.


Het geding is gevoegd met de zaken 02/147 AW en 02/4842 AW behandeld ter zitting van 3 oktober 2003, waar betrokkene in persoon is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Minderhoud, advocaat te Middelburg, en door F.C.M. de Vries, werkzaam bij het waterschap [naam waterschap 3]. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in onderhavig geding afzonderlijk uitspraak gedaan.


II. MOTIVERING


1. Onder verwijzing naar de weergave van de van belang zijnde feiten en omstandigheden in de aangevallen uitspraak volstaat de Raad met het volgende.


1.1. Betrokkene is in 1982 als [naam functie] bij het waterschap [naam waterschap 1] aangesteld. Hij heeft die functie behouden toen dat waterschap per 1 januari 1995 opging in het waterschap [naam waterschap 2] en eveneens toen laatstbedoeld waterschap per 1 januari 1999 opging in het waterschap [naam waterschap 3].


1.2. Bij betrokkenes overgang naar het waterschap [naam waterschap 2] heeft het dagelijks bestuur van dat waterschap specifiek voor betrokkene een voorziening getroffen terzake van lunchkosten en kleine onkosten tijdens betrokkenes dienstreizen. Deze hield in dat voor een lunch maximaal f 20,- zou worden vergoed en voor kleine onkosten als koffie, frisdrank en broodjes maximaal f 5,- per vol dagdeel. Hiertoe moest betrokkene een declaratie met bewijsstukken indienen. In de maandelijkse salarisspecificatie werd tot uitdrukking gebracht tot welk bedrag de declaratie werd vergoed.


1.3. Het bestuur heeft met ingang van 1 januari 1999 de regelingen inzake vergoedingen voor maaltijden en kleine onkosten ingetrokken en daarvoor in de plaats twee nieuwe regelingen gesteld. Ten eerste de Regeling buitendiensttoelage, die aanspraak geeft op een vaste toelage van f 40,- per maand voor in de buitendienst werkzame personeelsleden. Ten tweede de Verordening dienstreizen, die alleen voor dienstreizen buiten het waterschapsgebied in vergoeding op declaratiebasis (van kosten wegens maaltijden en kleine onkosten) voorziet.


1.4. Door en namens betrokkene is het bestuur bij brieven van 24 en 28 december 1998 verzocht de in 1.2. bedoelde voorziening voor betrokkene te handhaven. Het bestuur heeft bij brief van 19 januari 1999 geantwoord dat die voorziening door het vaststellen van de Verordening dienstreizen en het intrekken van de oude regelingen met ingang van 1 januari 1999 was vervallen. Betrokkene heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.


1.5. Nadien heeft betrokkene over de maanden mei en juni 2000 toch weer een declaratie wegens lunches en onkosten tijdens in het waterschapsgebied afgelegde reizen ingediend. Die declaratie werd niet vergoed, zo deelde zijn leidinggevende hem mondeling mee en zo bleek ook uit het achterwege blijven van een bedrag terzake op de salarisspecificatie van juli 2000. Betrokkene heeft geen rechtsmiddelen aangewend.


1.6. In het voorjaar van 2001 heeft betrokkene wederom een declaratie wegens lunches en onkosten tijdens in het waterschapsgebied afgelegde reizen ingediend. Weer kreeg hij mondeling te horen dat die declaratie niet zou worden vergoed. Daarop heeft betrokkene bij brief van 10 mei 2001 tegen de salarisspecificatie van april 2001 bezwaar gemaakt.

1.7. Bij het bestreden besluit van 25 oktober 2001 is dit bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard, op grond van de overweging dat betrokkene verzuimd had tegen de brief van 19 januari 1999 en de salarisspecificatie van juli 2000 bezwaar te maken.


2. Het beroep tegen het bestreden besluit is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


2.1. Volgens de rechtbank bevat de brief van 19 januari 1999 geen besluit waartegen betrokkene op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bezwaar had kunnen maken, nu die brief slechts een rechtsoordeel omtrent de toepasselijkheid van een publiekrechtelijk voorschrift - de Verordening dienstreizen - geeft en het voor betrokkene niet onredelijk bezwarend was te wachten totdat het bestuur een besluit inzake de toepassing van die verordening jegens hem zou hebben genomen.


2.2. De rechtbank deelde het oordeel van het bestuur dat het bezwaar tegen de salarisspecificatie van april 2001 niet-ontvankelijk was, nu betrokkene zijn grief, dat hij vanaf 1 januari 1999 nog steeds aanspraak had op vergoeding van de onkosten als bedoeld in 1.2., eerder had kunnen aanvoeren door bezwaar te maken tegen de salarisspecificatie van juli 2000.


3. Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld.


3.1. Het bestuur kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de brief van 19 januari 1999 geen voor bezwaar vatbaar besluit bevat. De Raad volgt het bestuur hierin. Bij de brief van 19 januari 1999 reageerde het bestuur afwijzend op betrokkenes verzoek de in 1995 voor hem getroffen voorziening te handhaven. Dit geschiedde weliswaar onder verwijzing naar onder meer de nieuwe Verordening dienstreizen, maar dat neemt niet weg dat sprake was van een weigering de specifieke voorziening voor betrokkene voort te zetten, wat voor betrokkene ook duidelijk was. Tegen die afwijzing van betrokkenes verzoek kon hij op grond van de Awb binnen zes weken bezwaar maken, ook al is die mogelijkheid niet in de brief van 19 januari 1999 vermeld.


3.2. Betrokkene heeft die mogelijkheid niet benut, zodat de in de brief van 19 januari 1999 vervatte afwijzing rechtens onaantastbaar is geworden.


3.3. De indiening in 2000 en 2001 van declaraties voor de in 1.2. bedoelde onkosten impliceerde bij die beide gelegenheden een verzoek aan het bestuur om van het rechtens onaantastbare besluit van 19 januari 1999 terug te komen. Het bestuur heeft op die verzoeken afwijzend beslist, zoals blijkt uit de mondelinge mededelingen aan betrokkene en de op die verzoeken gevolgde salarisspecificaties.


3.4. De afwijzing van een verzoek van een belanghebbende om van een rechtens onaantastbaar besluit terug te komen, is een besluit waartegen deze bezwaar kan maken. Daaraan doet, anders dan betrokkene aanvoert, niet af dat (ook) in de salarisspecificatie van april 2001 niet is gemotiveerd waarom de declaratie niet werd gehonoreerd. Betrokkene is er blijkens zijn bezwaarschrift tegen die salarisspecificatie ook van uitgegaan dat hij daartegen bezwaar kon maken.


3.5. Nu betrokkene door de indiening van dat bezwaarschrift tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aan de salarisspecificatie van april 2001 ten grondslag liggende afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van de kort voordien ingediende declaratie, was dat bezwaarschrift ontvankelijk. De Raad is anders dan de rechtbank en het bestuur van oordeel dat hieraan niet afdoet dat betrokkene de in dat bezwaarschrift vermelde grieven in eerdere bezwaarschriftprocedures naar voren had kunnen brengen. Nu het tegen de salarisspecificatie van april 2001 ingediende bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, zal de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak vernietigen.


4. Op het bezwaarschrift moet opnieuw beslist worden. De Raad zal dit ten behoeve van een finale beslechting van het geschil zelf doen, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.


4.1. Blijkens het bestreden besluit heeft het bestuur de in het voorjaar van 2001 ingediende declaratie afgewezen op de enkele grond dat betrokkenes verzoek op voortzetting van de in 1995 voor hem gecreëerde voorziening al eerder was afgewezen en dat hij daartegen geen rechtsmiddelen had aangewend. Het bestuur was daartoe bevoegd nu betrokkene bij de indiening van deze declaratie geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangevoerd.


4.2. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd, kan niet tot het oordeel leiden dat het bestuur niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft mogen maken, zodat de Raad aanleiding ziet het bezwaar ongegrond te verklaren. Betrokkenes stelling dat hij er destijds voor gekozen heeft tegen de salarisspecificatie van juli 2000 niet zelf bezwaar te maken maar dit aan zijn vakbond te vragen, die vervolgens evenwel geen actie heeft ondernomen, kan betrokkene niet baten, reeds omdat het voor zijn risico komt dat tegen de salarisspecificatie van juli 2000 geen bezwaar is gemaakt.


5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding het bestuur op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep ten bedrage van € 50,50 aan reiskosten. De door betrokkene opgevoerde kosten van rechtsbijstand komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking, nu in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep geen sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 25 oktober 2001 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het bezwaar tegen de salarisspecificatie van april 2001 ongegrond;

Veroordeelt het bestuur in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 50,50 aan reiskosten, te betalen door het waterschap [naam waterschap 3];

Bepaalt dat het waterschap [naam waterschap 3] aan betrokkene het door betrokkene in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 274,36 vergoedt.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2003.


(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.


(get.) P.J.W. Loots.

Q.