Centrale Raad van Beroep, 06-11-2003 / 03/442 AOR


ECLI:NL:CRVB:2003:AO1955

Inhoudsindicatie
Rechtsherstel uitkering Sinti en Roma; plaatsvervanging van uitkeringsgerechtigden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-11-06
Publicatiedatum
2004-01-23
Zaaknummer
03/442 AOR
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

03/442 AOR



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,


en


het bestuur van de Stichting Rechtsherstel Sinti en Roma, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, uiteengezette gronden heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van appellante bij de Raad hoger beroep doen instellen tegen de uitspraak van de Rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 december 2002, nummer AWB 02/492. Bij die uitspraak is het beroep dat appellante bij de Rechtbank Roermond had ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 12 februari 2002 - welk beroep in verband met de samenhang met bij die rechtbank al aanhangige zaken met toepassing van artikel 8:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter verdere behandeling is verwezen naar de Rechtbank 's-Hertogenbosch - ongegrond verklaard.


Namens gedaagde is door mr. B.J.P.G. Roozendaal, advocaat te Breda, een verweerschrift, met een bijlage, ingediend.

Appellante heeft vervolgens nadere stukken doen inzenden.


Het geding is, gevoegd met de gedingen bij de Raad bekend onder de nrs. 03/397, 03/443, 03/444 en 03/445 AOR, behandeld ter zitting van de Raad op 25 september 2003. Aldaar is appellante in persoon verschenen met bijstand van mr. Van Berkel voornoemd als haar raadsman, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Roozendaal voornoemd.


II. MOTIVERING


Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende.


Ter uitvoering van het besluit van de Nederlandse regering om aan de Sinti- en Romagemeenschap (ook) een zekere individuele compensatie te bieden voor de achteraf geconstateerde tekortkomingen in het naoorlogse rechtsherstel ten aanzien van de door de Duitse bezetter van Nederland tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 tegen hen getroffen (vervolgings-) maatregelen, is op 7 maart 2001 (i.w.t. 1 december 2000) door gedaagde tot stand gebracht het Uitkeringsreglement individuele uitkeringen Stichting Rechts-herstel Sinti en Roma (Stcrt. 1 juni 2001, nr. 104), zoals nadien gewijzigd (Stcrt. 4 juni 2002, nr. 103), hierna: het Reglement. Bij besluit van 8 mei 2001 heeft gedaagde Aanvullende regels ter interpretatie van het uitkeringsreglement vastgesteld, hierna: de Aanvullende regels.


Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Reglement wordt onder Sinti verstaan: de personen van wie gedaagde, de Raadkamer gehoord, vaststelt dat een of beide ouders Sinto of Sintezza was of is. In de Aanvullende regels heeft gedaagde, uitvoerig gemotiveerd, verduidelijkt dat de bedoelde vaststelling geschiedt op basis van lijnen van bloedverwantschap, en niet op basis van culturele of maatschappelijke verwantschap.

Onder plaatsvervangers worden - voorzover hier van belang - blijkens artikel 1, aanhef en onder h, van het Reglement verstaan: de nog in leven zijnde weduwe, weduwnaar of levenspartner en de nog in leven zijnde kinderen van een overleden Sinto of Sintezza.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Reglement kan gedaagde in bijzondere gevallen tegemoetkomen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar zijn oordeel bij de toepassing van het Reglement mochten voordoen.


Gedaagde heeft de aanvraag van appellante van november 2000 om een uitkering als plaatsvervanger van haar overleden schoonmoeder als rechtstreeks belanghebbende ingevolge het Reglement afgewezen bij besluit van 7 mei 2001, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2002. Daartoe is overwogen - samengevat - dat de overleden schoonmoeder van appellante weliswaar Sintezza was, maar dat appellante volgens het Reglement niet als haar plaatsvervanger kan worden aangemerkt. Voorts is, onder meer, overwogen - in afwijking van het door de bezwaar-schriftencommissie uitgebrachte advies - dat de in het Reglement opgenomen anti-hardheidsbepaling niet kan dienen om een andere groep dan die welke bij het opstellen van het Reglement voor ogen heeft gestaan alsnog onder de werking daarvan te brengen.


In beroep tegen laatstgenoemd besluit en in hoger beroep zijn namens appellante eerst en vooral grieven ingebracht betreffende de in het Reglement en de Aanvullende regels neergelegde omschrijving door gedaagde van de doelgroep van het rechtsherstel. In het bijzonder is naar zijn mening ten onrechte geen betekenis toegekend aan culturele en maatschappelijke omstandigheden - zoals bijvoorbeeld een huwelijk - die getuigen van een hechte verbondenheid van andere personen met die gemeenschap.


De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, deze grieven geen doel treffen. Met de hiertoe door de rechtbank gehanteerde overwegingen kan de Raad zich geheel verenigen.

Noch in de stukken betreffende de totstandkoming van het besluit van de Nederlandse regering tot rechtsherstel - waaronder in het bijzonder de brief terzake van de Minister-President aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 21 maart 2000 (kamerstukken II, 1999-2000, 25839, nr. 13) - noch in andere gegevens heeft de Raad aanknopings-punten kunnen vinden voor het oordeel dat de in het Reglement en Aanvullende regels neergelegde doelgroepomschrijving - waaronder de begrenzing van de toe te laten plaatsvervangers - in strijd is met hetgeen de regering bij haar besluitvorming voor ogen stond dan wel anderszins de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten is gegaan. In dit verband acht de Raad van zwaarwegende betekenis dat het Reglement in overleg met representatieve vertegenwoordigers van de Sinti- en Romagemeenschap is opgesteld en dat gedaagde in meerderheid is samengesteld uit vertegenwoordigers van die gemeenschappen. Ook is alleszins plausibel de namens gedaagde gegeven nadere uitleg, inhoudende dat plaatsvervangers een afgeleid recht hebben en geen zelfstandig recht aangezien de overheid jegens hen niet tekort is geschoten hetgeen heeft geleid tot beperking van die groep tot degenen die het gemis aan rechtsherstel voor de direct belanghebbende van nabij hebben meegemaakt.


Ook overigens kan de Raad de uitspraak van de rechtbank, voorzover in hoger beroep aangevochten, geheel onderschrijven. Hetgeen appellante dienaangaande in hoger beroep heeft doen aanvoeren heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Dit geldt met name ook de grief dat gedaagde ten onrechte is afgeweken van het positieve advies van de bezwaarschriftencommissie over de toepassing van de in artikel 5 van het Reglement opgenomen anti-hardheidsbepaling. In het licht van hetgeen hierboven is overwogen kan de Raad niet onjuist achten de opvatting van gedaagde dat deze bepaling niet wordt gehanteerd om een andere groep dan die welke bij het opstellen van het Reglement voor ogen heeft gestaan alsnog onder de werking daarvan te brengen. Gedaagde kon en mocht dan ook buiten beschouwing laten de door de bezwaarschriften-commissie bij haar advies in aanmerking genomen omstandigheden dat de schoonmoeder van appellante tijdens de oorlogsjaren zware vervolging heeft ondergaan en dat de enige plaatsvervanger, de echtgenoot van appellante, was overleden voordat rechtsherstel heeft kunnen optreden.


Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt derhalve als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 november 2003.



(get.) C.G. Kasdorp.



(get.) J.P. Schieveen.