Centrale Raad van Beroep, 18-03-2003 / 01/1559 ZW + 01/1560 WAO


ECLI:NL:CRVB:2003:BB7983

Inhoudsindicatie
De enkele vermelding in het bestreden besluit van (de uitkomst van) overleg met de arbeidsdeskundige, zonder dat dit wordt onderbouwd met onderliggende gegevens, acht de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat dit besluit, wat de arbeidskundige grondslag betreft, berust op voldoende onderzoek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-03-18
Publicatiedatum
2007-11-15
Zaaknummer
01/1559 ZW + 01/1560 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • RSV 2003, 133
Uitspraak

01/1559 ZW + 01/1560 WAO


U I T S P R A A K



in de gedingen tussen:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,


en


[gedaagde], gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsor-ganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.


Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Arnhem tussen partijen gegeven uitspraak, verzonden op 25 januari 2001.


Namens gedaagde heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, bij brieven van

13 september 2001 en van 2 oktober 2001 van verweer gediend.


De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 februari 2003, waar appellant, met kennisgeving, zich niet heeft doen vertegenwoordigen, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Frerix, voornoemd, als haar raadsvrouw.




II. MOTIVERING


Laatstelijk ontving gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast ontving gedaagde een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW heeft gedaagde zich per 14 januari 1999 ziek gemeld. Na onderzoek door de verzekeringsarts is gedaagde hersteld verklaard per

9 maart 1999 en is haar vanaf die datum bij besluit van 11 maart 1999 verdere uitkering van ziekengeld ontzegd. Voorts is bij besluit van 14 juni 1999 de uitkering ingevolge de WAO, die ten gevolge van toegenomen arbeidsongeschiktheid na een wachttijd van vier weken was verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid 80 tot 100%, met ingang van 9 maart 1999 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.


De bezwaren van gedaagde tegen voormelde besluiten zijn bij besluiten van respectievelijk 21 juli 1999 (ZW-besluit) en 12 januari 2000 (WAO-besluit) door appellant ongegrond verklaard. Tegen deze besluiten is beroep bij de rechtbank ingesteld.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat de bestreden besluiten op een toereikende medische grondslag berusten. Het WAO-besluit heeft de rechtbank niettemin wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, daartoe -samengevat- overwegend dat voor de arbeidskundige kant teruggegrepen is op gegevens die mogelijk geen actuele weergave vormen van voor gedaagde toegankelijke functies ten tijde in geding (9 maart 1999) en dat het maatmaninkomen niet naar die datum was geïndexeerd. De rechtbank heeft het bestreden ZW-besluit eveneens vernietigd, nu als maatstaf voor de in aanmerking komende arbeid (waarnaar de ongeschiktheid tot werken dient te worden beoordeeld) dezelfde functies gelden die aan gedaagde in het kader van de WAO kunnen worden opgedragen.


De Raad overweegt als volgt.


Gelet op het aanvullend beroepschrift van appellant en het verhandelde ter zitting is tussen partijen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag van beide bestreden besluiten in hoger beroep niet in geschil.


Appellant heeft aangevoerd dat in de bezwaarfase van het WAO-geding is onderkend dat aan het primaire besluit van 14 juni 1999 geen arbeidskundige beoordeling is voorafgegaan en dat om die reden de bezwaararbeidsdeskundige is ingeschakeld en de uitkomst hiervan in de voorlegger alsmede het bestreden WAO-besluit is neergelegd. Daaraan is de rechtbank, aldus appellant, ten onrechte voorbijgegaan.


Dienaangaande overweegt de Raad dat in het bestreden besluit inderdaad melding is gemaakt van overleg met de bezwaararbeidsdeskundige over de actuele waarde van de voor de schatting gebruikte functies en de hoogte van het maatmaninkomen per

9 maart 1999. Tevens stelt de Raad vast dat zich onder de gedingstukken, zoals deze naar de rechtbank zijn gezonden, van bedoeld overleg geen verslag bevindt en dat ook de voorlegger waarnaar appellant verwijst, ontbreekt.


De Raad heeft geen reden te veronderstellen dat appellant zijn verplichting ex artikel 8:42 van de Awb om de van belang zijnde stukken aan de rechtbank in te zenden niet volledig is nagekomen. Mede gelet op de omstandigheid dat bedoelde stukken ook in hoger beroep niet zijn ingezonden, moet de Raad het ervoor houden dat deze stukken er niet zijn.


De enkele vermelding in het bestreden besluit van (de uitkomst van) overleg met de arbeidsdeskundige, zonder dat dit wordt onderbouwd met onderliggende gegevens, acht de Raad onvoldoende om te aanvaarden dat dit besluit, wat de arbeidskundige grondslag betreft, berust op voldoende onderzoek. De beslissing van de rechtbank om het bestreden WAO-besluit te vernietigen laat de Raad, gelet hierop, in stand.


Bij rapport van 14 juni 2001 heeft de bezwaararbeidsdeskundige J.K.J. Hettinga nader onderzoek gedaan naar de vraag of de op 9 juli 1998 voor gedaagde geselecteerde functies nog op 9 maart 1999 aanwezig waren en of deze passend waren. Voorts heeft de arbeidsdeskundige overleg gevoerd met de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers over de mogelijk in die functies voorkomende overschrijdingen van de belastbaarheid van gedaagde. Daarvan is door de bezwaarverzekeringsarts verslag gedaan bij rapport van

14 juni 2001. Een en ander heeft ertoe geleid dat nog drie van de eerder voor gedaagde geselecteerde functies per 9 maart 1999 door de arbeidsdeskundige geschikt zijn geacht. De uitkomst van de met inachtneming hiervan door appellant gemaakte berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage van gedaagde bedraagt 32,9%. Appellant heeft hierop geconcludeerd dat het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid 25 tot 35% bedraagt, niet behoeft te worden gewijzigd.


De Raad is van oordeel dat met het vorenstaande alsnog een voldoende onderbouwing is gegeven van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zal de Raad de rechtsgevolgen van het door de rechtbank vernietigde WAO-besluit in stand laten.


Ten slotte is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het bestreden ZW-besluit heeft vernietigd.


Naar de Raad reeds vele keren heeft overwogen dient in een geval waarin een verzekerde zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW ziek meldt, nadat hij in het kader van de WAO in staat is geacht voor hem geschikte werkzaamheden te verrichten, de ongeschiktheid tot werken te worden beoordeeld naar de in het kader van die schatting in aanmerking genomen functies. De Raad voegt daaraan toe dat een verzekerde niet ongeschikt tot werken is als hij op (en na) de in aanmerking te nemen datum in staat is de werkzaamheden te verrichten behorend bij ten minste één van de hiervoor bedoelde functies.


Uit het vorenoverwogene met betrekking tot het WAO-besluit blijkt dat gedaagde in staat moet worden geacht per 9 maart 1999 drie van de eertijds geselecteerde functies te vervullen, zodat gedaagde per die datum niet ongeschikt tot werken was en geen recht meer had op ziekengeld. De handhaving bij het bestreden ZW-besluit van de beslissing om gedaagde op en na 9 maart 1999 niet meer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW, houdt derhalve stand.


Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het bestreden ZW-besluit, voor vernietiging in aanmerking komt en voor het overige dient te worden bevestigd met bepaling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde

WAO-besluit in stand blijven.


De Raad acht geen termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking hebbend op het ZW-besluit van 21 juli 1999;

Verklaart het inleidend beroep tegen het ZW-besluit van 21 juli 1999 ongegrond;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het WAO-besluit van 12 januari 2000 in stand blijven.



Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en

mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2003.


(get.) Ch. van Voorst.




(get.) C.H.T.W. van Rooijen.