Centrale Raad van Beroep, 13-03-2003 / 01/4297 AW


ECLI:NL:CRVB:2003:BK7563

Inhoudsindicatie
Strafontslag. Aspirant agent uit bedreigende taal tegen cafetariabeheerster en neemt (later die avond) verblijfsvergunning van A. in (medewerker cafetaria) ten behoeve van het vaststellen van A’s nationaliteit door zijn broer (die vermoedde dat A zijn dochter wilde schaken).
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2003-03-13
Publicatiedatum
2009-12-23
Zaaknummer
01/4297 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

CENTRALE RAAD VAN BEROEP


01/4297 AW


UITSPRAAK


in het geding tussen:


[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Korpsbeheerder van de politieregio Utrecht, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 22 juni 2001, nr. SBR 00/0534, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 7 februari 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.F. Dorhout, juridisch adviseur te Soest, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.E. Blonk, werkzaam bij de politieregio Utrecht.


II. MOTIVERING


1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat.de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant, van Turkse afkomst, is in het kader van het zogeheten TEMPO-project (Turken en Marokkanen bij de politic) aangesteld in tijdelijke dienst als adspirant van politie en met ingang van 1 april 1996 gestart met de opleiding tot politieagent. Hij had die opleiding eind 1998 - hij was toen ongeveer een jaar ziek thuis geweest - nog niet afgerond; een praktijkstage moest hij nog (over)doen.


1.2. Op 13 december 1998 heeft appellant, volgens eigen zeggen alom bekend in [woonplaats], op verzoek van zijn broer, die vermoedde dat diens dochter M. geschaakt zou worden door O.C. A (hierna: A), van wie gedacht werd dat hij de Griekse nationaliteit had, getracht in contact te komen met A. Daartoe is hij 's avonds naar cafetaria [naam cafetaria] in [woonplaats] gegaan, waar hij A als medewerker van het cafetaria verwachtte. Toen A niet aanwezig bleek, heeft appellant daar gesproken met beheerster B. Tegen haar heeft hij dreigende taal geuit. Na een contact, later die avond, met A en de dochter van zijn broer, heeft hij de verblijfsvergunning van A meegenomen ten behoeve van (het vaststellen van de - Turkse - nationaliteit van A door) zijn broer. Pas op 3 januari 1999 heeft A zijn verblijfsvergunning teruggekregen.


1.3. Op 17 december 1998 is appellant opnieuw naar genoemd cafetaria gegaan om te controleren of A daar was. Dit laatste zou in strijd zijn met een inmiddels door de familie met A gemaakte afspraak om niet meer in [woonplaats] te komen. Appellant heeft tegen A, die in het cafetaria aanwezig was, dreigende taal gesproken.


1.4. Gedaagde, die van een en ander kermis had gekregen doordat A en cafetaria-beheerster B bij de politie melding hadden gemaakt van de bedreigingen en van het meenemen van de verblijfsvergunning, heeft deze gedragingen van appellant aangemerkt als aan hem toerekenbaar ernstig plichtsverzuim. Hij heeft appellant daarom bij besluit van 2 augustus 1999 strafontslag gegeven, welk ontslag hij na bezwaar heeft gehandhaafd bij bestreden besluit van 7 februari 2000.


2. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat (ook) voor de rechtbank aannemelijk is geworden dat appellant meermalen dreigende taal heeft geuit en dat hij de verblijfsvergunning van A heeft meegenomen waardoor deze enkele weken niet over dat document heeft kunnen beschikken. Appellant had zich, zeker in zijn positie, moeten realiseren dat dit gedrag ontoelaatbaar was. Gelet op de ernst van de feiten heeft de rechtbank de straf van ontslag niet onevenredig geacht.


3. In hoger beroep is namens appellant gewezen op een enkele onjuistheid in de aangevallen uitspraak, is een terugblik gegeven op de hele gang van zaken en is de context benadrukt waarin een en ander is geschied. Benadrukt is dat appellant bij het hem verweten gedrag zich niet heeft bekendgemaakt als politieagent en dat de hoedanigheid van politieagent in deze geen enkele rol heeft gespeeld, terwijl dit element bij gedaagde(s besluitvorming) een eigen leven is gaan leiden. Betoogd is dat A zijn verblijfsvergunning vrijwillig heeft afgegeven en dat appellant daarmee, nadat hij deze aan zijn broer heeft gegeven, geen bemoeienis heeft gehad. Concluderend is gesteld dat van een samenstel van factoren, zoals de rechtbank dat heeft overwogen, geen sprake is geweest. Voor het aldus resterende plichtsverzuim, bestaande in (slechts) de bedreigingen, is de zwaarste straf van ontslag onevenredig, zo is betoogd namens appellant. Deze heeft zelf de geschiedenis nog naar voren gebracht en grieven geuit over gebreken in de door hem genoten politieopleiding en daarbij ontvangen begeleiding.


4. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.

Hij is van oordeel dat het appellant verweten plichtsverzuim, bestaande in de onder 1. weergegeven bedreigingen, welk plichtsverzuim door appellant is erkend, ernstig is. Niet minder ernstig acht de Raad het appellant eveneens op goede gronden verweten plichtsverzuim, bestaande in het - minst genomen - meenemen en niet onmiddellijk terugbezorgen van de verblijfsvergunning van A. Dit gedrag is onjuist en past zeker iemand niet die, alom bekend zijnde, de functie heeft van politieagent. Niet van belang daarbij is, dat appellant die functie wegens ziekte al geruime tijd niet vervulde. Evenmin relevant acht de Raad het antwoord op de vraag of appellant zich bij zijn misdragingen al of niet uitdrukkelijk heeft bekendgemaakt als politieagent. Aan de onjuistheidheid, aan de onaanvaardbaarheid en aan de ernst van het plichtsverzuim doen de namens appellant geschilderde context en de door appellant zelf geuite grieven, niet af. Evenals de rechtbank is ook de Raad tot het oordeel gekomen dat de aan appellant opgelegde straf niet onevenredig is.


5. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep van appellant geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.


6. Gelet op het vorenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.C.F. Talman en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van I.D. Veldman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2003.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) I.D. Veldman.


HD