Centrale Raad van Beroep, 01-02-2005 / 03/1204 WAO


ECLI:NL:CRVB:2005:AS5231

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-02-01
Publicatiedatum
2005-02-08
Zaaknummer
03/1204 WAO
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


03/1204 WAO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.


Gemachtigde van appellant, mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, heeft, op bij aanvullend beroepschrift vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 januari 2003, reg.nr. SBR 02/440, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld op de zitting van 21 december 2004, waar appellant in persoon is verschenen vergezeld van zijn dochter [appellant] en zijn advocaat mr. P.G.M. Lodder. Gedaagde is -met voorafgaand bericht- niet verschenen.


II. MOTIVERING


Appellant heeft zich op 16 december 1997 bij zijn werkgever arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 15 december 1998 heeft gedaagde geweigerd aan appellant met ingang van 15 december 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toe te kennen aangezien appellants mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Het tegen voormeld besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 10 juni 1999 ongegrond verklaard.


De rechtbank heeft het namens appellant tegen laatstgenoemd besluit ingediende beroepschrift bij uitspraak van 25 april 2000 ongegrond verklaard. Het namens appellant ingestelde hoger beroep is door de Raad bij uitspraak van 27 september 2000 niet-ontvankelijk verklaard.


Op 4 april 2001 heeft appellant een nieuwe aanvraag om een WAO-uitkering ingediend waarbij appellant wederom aangaf met ingang van 16 december 1997 arbeidsongeschikt te zijn. Hierbij heeft appellant een schrijven van 13 maart 2001 van orthopedisch chirurg H. van der Hoeven overgelegd. Gedaagde heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om herziening van het besluit van 15 december 1998. Bij besluit van 20 juli 2001 heeft gedaagde geweigerd van dit eerdere besluit terug te komen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.


Vervolgens heeft appellant op 20 september 2001 wederom een aanvraag om een WAO-uitkering ingediend waarbij appellant opnieuw aangaf met ingang van 16 december 1997 arbeidsongeschikt te zijn. Gedaagde heeft deze aanvraag opgevat als een -tweede- verzoek tot herziening van het besluit van 15 december 1998. Bij besluit van 22 november 2001 heeft gedaagde, onder overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, geweigerd terug te komen van het besluit van 15 december 1998.


Het tegen het besluit van 22 november 2001 gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 februari 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.


De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de in rubriek I vermelde uitspraak ongegrond verklaard. Aan de orde is de vraag of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden.


De Raad overweegt als volgt.


In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.


Hetgeen appellant heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn -tweede- herhaalde aanvraag van 20 september 2001, welke door gedaagde terecht is beschouwd als een andermaal gedaan verzoek om terug te komen van het besluit van

15 december 1998, komt erop neer dat appellant van mening is dat zijn klachten en beperkingen door gedaagde zijn onderschat. Ter onderbouwing hiervan heeft appellant tijdens de bezwaarprocedure wederom het schrijven van 13 maart 2001 van orthopedisch chirurg H. van der Hoeven alsmede een schrijven van de huisarts W.C. Westerveld van 9 maart 2000 overgelegd. Ten aanzien van de brief van orthopedisch chirurg Van der Hoeven overweegt de Raad dat, nog daargelaten of deze informatie -naar de inhoud bezien- nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb bevat en of deze informatie ziet op de situatie van appellant ten tijde hier van belang -te weten 15 december 1998-, deze informatie reeds door appellant is ingebracht in een eerdere procedure waarin appellant gedaagde heeft verzocht terug te komen van het besluit van 15 december 1998, welk verzoek door gedaagde op 20 juli 2001 is afgewezen en waartegen appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend. Reeds om die reden verzet de strekking van artikel 4:6 van de Awb zich er tegen, dat deze informatie andermaal wordt bezien in het kader van een op de voet van dit artikel ingediend verzoek. Voorts overweegt de Raad met betrekking tot de overgelegde brief van de huisarts dat, los van de vraag of deze brief nieuwe feiten als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb bevat, deze informatie niets stelt omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten tijde hier van belang.


Gedaagde was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 15 december 1998. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de Raad geen grond te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.


Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2005.


(get.) C.W.J. Schoor.


(get.) M.H.A. Jenniskens.