Centrale Raad van Beroep, 23-02-2005 / 04/5260 WAO + 04/5261 WAO


ECLI:NL:CRVB:2005:AS9420

Inhoudsindicatie
Is de bezwaartermijn overschreden nu betrokkene eerst na het verstrijken van die termijn, niet binnen twee daarna bezwaar heeft gemaakt?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-02-23
Publicatiedatum
2005-03-10
Zaaknummer
04/5260 WAO + 04/5261 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/5260 WAO + 04/5261 WAO


U I T S P R A A K


in de gedingen tussen:


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,


en


[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Bij brieven van 22 september 2003 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van twee ten aanzien van hem genomen besluiten (hierna: de bestreden besluiten) ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).


De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 7 september 2004 (AWB 03/4071 en 03/4072 WAO) het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd.


Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.


Namens gedaagde heeft mr. M. Hoekman, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.


De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad van 12 januari 2005, waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hoekman voornoemd, en waar appellant zich niet heeft doen vertegenwoordigen.


II. MOTIVERING


Bij besluit van 7 mei 2003 heeft appellant aan gedaagde met ingang van 2 januari 2003 een uitkering ingevolge de WAO toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde besloten deze uitkering over de periode van 2 januari 2003 tot 14 januari 2003 niet uit te betalen, op grond van de overweging dat gedaagdes werkgever wegens te late aangifte van de arbeidsongeschiktheid verplicht was over dit tijdvak het loon door te betalen.


Naar aanleiding van een telefonisch verzoek van gedaagde van 17 juli 2003 heeft appellant bij brief van 21 juli 2003 aan gedaagde kopieën van de besluiten van 7 mei 2003 toegezonden. Namens gedaagde zijn tegen deze besluiten bezwaarschriften ingediend, die door appellant op 6 augustus 2003 per fax zijn ontvangen.


Bij de bestreden besluiten heeft appellant het bezwaar tegen beide voormelde besluiten wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard.


De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat gedaagde redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van het te laat indienen van de bezwaarschriften en de bestreden besluiten wegens schending van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd.

De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat gedaagde zich na ontvangst van de primaire besluiten eerst tevergeefs tot appellants kantoor had gewend, en vervolgens tot de horecabond, die hem doorverwees naar de

FNV Ledenservice, die vervolgens een gemachtigde heeft ingeschakeld. Deze gemachtigde heeft uiteindelijk op 6 augustus 2003 een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank was hier geen sprake van een omslachtige of zeer ongebruikelijke gang van zaken, waarvoor gedaagde redelijkerwijs niet behoorde te kiezen. Hierbij heeft de rechtbank van belang geacht dat appellant heeft nagelaten gedaagde erop te wijzen dat hij na ontvangst van de brief van 21 juli 2003 binnen twee weken dan wel zo spoedig mogelijk bezwaar diende te maken, hetgeen de rechtbank in strijd achtte met de gedachte van artikel 3:45, tweede lid van de Awb.


De Raad kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen.


Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Raad staat vast dat gedaagde met de indiening van de bezwaarschriften op 6 augustus 2003 de wettelijk voorgeschreven bezwaartermijn van zes weken heeft overschreden.

Met betrekking tot de vraag of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat gedaagde in verzuim is geweest als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb overweegt de Raad dat niet in geschil is dat gedaagde eerst na ontvangst van voormelde brief van

21 juli 2003 kennis heeft kunnen nemen van de primaire besluiten van 7 mei 2003. Door eerst op 6 augustus 2003 een bezwaarschrift in te dienen heeft gedaagde niet de volgens vaste jurisprudentie in een geval als het onderhavige - waarin betrokkene het besluit eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn heeft ontvangen - aan te houden termijn van twee weken na deze ontvangst in acht genomen. De door de rechtbank beschreven omstandigheden die hiertoe hebben geleid, maken dit verzuim naar het oordeel van de Raad niet verschoonbaar. De Raad wijst er in dit verband op, in navolging van appellant, dat gedaagdes vakorganisatie de primaire besluiten binnen vorenbedoelde termijn van twee weken heeft ontvangen. Uit een brief van gedaagdes toenmalige gemachtigde van 8 september 2003 blijkt namelijk dat deze vakorganisatie de primaire besluiten op 23 juli 2003 heeft doorgezonden naar de FNV Ledenservice. Van de rechtshulp- verleners van gedaagde mocht worden verwacht dat zij toen terstond gerichte actie ondernamen, bij voorbeeld door het indienen van een voorlopig bezwaarschrift. Dat dit niet is gebeurd moet voor rekening en risico van gedaagde worden gelaten. De Raad ziet geen wettelijke grond voor de door de rechtbank bedoelde verplichting voor appellant om gedaagde erop te wijzen dat hij zo spoedig mogelijk - en wel binnen twee weken - na ontvangst van de brief van 21 juli 2003 bezwaar diende te maken. Dat dit niet is gebeurd kan dus evenmin worden gezien als een omstandigheid waardoor gedaagdes verzuim verschoonbaar zou zijn.


Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart de inleidende beroepen ongegrond.


Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning en als leden, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2005.


(get.) Ch. van Voorst.


(get.) J. Verrips.