Centrale Raad van Beroep, 21-04-2005 / 04/3469 WUV


ECLI:NL:CRVB:2005:AT4619

Inhoudsindicatie
Afwijzing erkenning als vervolgingsslachtoffer omdat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-04-21
Publicatiedatum
2005-04-26
Zaaknummer
04/3469 WUV
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


04/3469 WUV


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], Surabaya, (Indonesië), eiseres,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I.ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 9 april 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0237, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlage), heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich laten vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, geboren in 1943 in het voormalige Nederlands-Indië, in april 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde voor een periodieke uitkering ingevolge de Wet in aanmerking te worden gebracht. In dit verband heeft eiseres gesteld dat zij, nadat haar vader door de Japanse bezetter gevangen was genomen, samen met haar moeder en de andere kinderen van het gezin naar het kamp Dinojo is gebracht alwaar de oorlogsjaren onder moeilijke omstandigheden werden doorgebracht.


Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 6 januari 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen in beroep door eiseres is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet wordt, voorzover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europese georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.


Uit de door verweerster overgelegde gegevens, waaronder de (eerste) getuigenverklaring van de moeder van eiseres, blijkt dat eiseres tijdens de Japanse bezetting heeft verbleven in het kamp Dinoyo te Soerabaja dat bekend is als verblijfplaats voor dakloze vrouwen en kinderen zonder middelen van bestaan. Een verblijf in een dergelijk kamp wordt niet beschouwd als vrijheidsberoving in de zin van de Wet. Met betrekking tot de in beroep ingebrachte verklaring van de moeder van eiseres d.d. 30 mei 2004, dat het kamp Dinoyo zich niet in Soerabaja maar in Mojokerto zou bevinden heeft verweerster meegedeeld dat uit de ten dienste staande documentatie niet is gebleken van het bestaan van het desbetreffende kamp in Mojokerto. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster derhalve op goede gronden vastgesteld dat eiseres geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.


Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.

Het ingestelde beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2005.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) E. Heemsbergen.


HD

21.03