Centrale Raad van Beroep, 21-04-2005 / 04/4905 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2005:AT4628

Inhoudsindicatie
Verzoek om herziening van besluit dat betrokkene niet wordt erkend als burgeroorlogsslachtofer. Geen sprake van relevante nieuwe feiten en gegevens.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-04-21
Publicatiedatum
2005-04-26
Zaaknummer
04/4905 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


04/4905 WUBO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 29 juli 2004, kenmerk JZ/P60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

In het beroepschrift is uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 maart 2005, waar eiseres niet is verschenen, en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, in augustus 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. Eiseres heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië, te weten:

tijdens de Japanse bezetting

1. het verblijf in de wijk Gempol te Bandoeng;

tijdens de Bersiap-periode:

2. het regelmatig moeten vluchten binnen de wijk Gempol;

3. het verblijf in het Tjihapitkamp.


Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 4 april 2002 op de grond dat onvoldoende is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres getroffen is geweest door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen - samengevat en voorzover hier van belang - dat het door eiseres gemeld verblijf in de wijk Gempol niet als een internering in de zin van de Wet kan worden aangemerkt, dat er geen gegevens zijn verkregen om aan te nemen dat het vluchten vanuit een levensbedreigende situatie dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden en voorts dat het Tjihapitkamp een beschermingskamp was en derhalve het verblijf daar niet onder de werking van de Wet kan worden gebracht. Eiseres heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddel aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden.


In februari 2004 heeft eiseres zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 27 april 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond - samengevat - dat bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens zijn vermeld, die aanleiding geven om het eerdere besluit te herzien.


In het beroepschrift tegen het onderhavige besluit is door eiseres aangevoerd - middels verwijzing naar haar bezwaarschrift - dat bij het herzieningsverzoek een aantal nieuwe getuigenverklaringen is overgelegd. Voorts heeft eiseres aangegeven dat het herzieningsverzoek is gebaseerd op haar lichamelijke en psychische klachten.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, voor zover aangevochten en gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. De Raad overweegt daartoe het volgende.


De hiervoor genoemde aanvraag van februari 2004 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het door verweerster eerder genomen, hiervoor vermelde besluit van 4 april 2002.


Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich mee dat de Raad het besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is centraal de vraag of eiseres bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aan verweerster bij het nemen van haar besluit van 4 april 2002 niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden dat besluit te herzien.


De Raad stelt voorop dat gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Wet voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld in de zin als in die bepaling omschreven. Eerst indien zodanige betrokkenheid is vastgesteld kunnen de medische gevolgen daarvan rechtens een rol gaan spelen. Derhalve heeft verweerster bij het eerder genoemde besluit en ook thans in herziening terecht in de eerste plaats bezien of sprake is van directe betrokkenheid van eiseres bij oorlogsgeweld in de zin van de Wet.


Verweerster heeft het verzoek van eiseres om herziening van de eerdere afwijzende beslissing mede beoordeeld in het licht van de door eiseres daarbij overgelegde nieuwe getuigenverklaringen.


De Raad kan zich verenigen met het standpunt van verweerster, dat met deze nieuwe verklaringen niet is aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat eiseres persoonlijk is getroffen door oorlogsgebeurtenissen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Uit die verklaringen komt slechts naar voren dat het tijdens de Bersiap-periode onveilig was in de wijk Gempol, waar het gezin waarvan eiseres deel uitmaakte verbleef, maar niet dat eiseres daar bij beschietingen of ander oorlogsgeweld in de zin van de Wet direct betrokken is geweest.


Verweerster heeft voorts nog informatie ingewonnen bij het NIOD en de bij haar aanwezige gegevens betreffende door eiseres genoemde lotgenoten geraadpleegd alsmede objectieve historische gegevens met betrekking tot Bandung en omgeving.

In deze gegevens is echter ook nu geen bevestiging gevonden voor de stelling van eiseres dat er in de in Bandung-noord gelegen wijk Gempol van internering sprake is geweest.


De Raad merkt bij het voorgaande, overeenkomstig zijn vaste jurisprudentie in dezen, nog op dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in meerdere of mindere mate een ieder heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Daarmee is zeker niet miskend dat eiseres tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode bijzonder moeilijke en angstige tijden heeft meegemaakt. De erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet is echter gebonden aan de in die Wet omschreven specifieke oorlogscalamiteiten.


Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden, zodat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2005.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) E. Heemsbergen.


HD

21.03