Centrale Raad van Beroep, 29-04-2005 / 04/5793 WAO


ECLI:NL:CRVB:2005:AT4953

Inhoudsindicatie
Gegrondverklaring verzet omdat griffierecht toch (tijdig) was betaald.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-04-29
Publicatiedatum
2005-05-02
Zaaknummer
04/5793 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/5793 WAO


U I T S P R A A K


met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:


[opposante], wonende te [woonplaats], opposante


en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


[opposante], werkzaam bij [werkgever] te [vestigingsplaats], heeft als gemachtigde van opposante hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 13 september 2004, reg.nr. WAO 04/358, tussen partijen gegeven uitspraak.


Bij uitspraak van 22 februari 2005, welke op 23 februari 2005 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.


Gemachtigde van opposante is tijdig van die uitspraak in verzet gekomen.


Gelet op het hierna onder II overwogene heeft de Raad het niet nodig geacht opposante in de gelegenheid te stellen over het verzet te worden gehoord.


II. MOTIVERING


Bij uitspraak van 22 februari 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de Raad het verschuldigde griffierecht ad € 102,- niet binnen de in de brief van de Raad van 22 november 2004 gestelde termijn heeft ontvangen.


Ten gevolge van het gedane verzet dient de Raad thans de vraag te beantwoorden of hij bij zijn uitspraak van 22 februari 2005 terecht heeft geoordeeld dat het hoger niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.


De Raad heeft geconstateerd, zoals tevens door de gemachtigde van opposante in het verzetschrift is aangegeven, dat het verschuldigde griffierecht ad € 102,- op 14 december 2004 bij de kas van de griffie van de Raad is voldaan.


Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55, vijfde lid, aanhef en onder c van de Awb gegrond te worden verklaard. Gegeven het bepaalde in het zevende lid van laatstbedoeld artikel vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het verzet gegrond.


Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2005.


(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.