Centrale Raad van Beroep, 02-06-2005 / 03/3082 AW en 03/3083 AW


ECLI:NL:CRVB:2005:AT7260

Inhoudsindicatie
Ontslag ambtenaar vanwege verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding. Vertrouwen en integriteit,
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-06-02
Publicatiedatum
2005-06-13
Zaaknummer
03/3082 AW en 03/3083 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2005/126
Uitspraak

03/3082 AW en 03/3083 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ‘s-Gravenhage, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 juni 2003, AWB 03/1551 AW en AWB 03/1554 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn op verzoek van de Raad nog enige stukken ingezonden.


Het geding is behandeld ter zitting van 31 maart 2005. Daar is appellant in persoon verschenen en heeft gedaagde zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te Den Haag, die zich liet bijstaan door ir. H.J. Neeft, werkzaam bij de gemeente ‘s-Gravenhage.


II. MOTIVERING


1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het navolgende.

1.1. Appellant is met ingang van 16 oktober 2002 in vaste dienst aangesteld in de functie van afdelingsmanager [afdeling] bij de sector Grondbedrijf, Directie Haags Ontwikkelingsbedrijf van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling. Nadat aan appellant op 4 november 2002 een concept-ontslagbesluit was toegezonden, is hem bij besluit van

19 november 2002 met ingang van 5 november 2002 ontslag verleend met toepassing van artikel 8:7, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement ’s-Gravenhage. Ingevolge deze bepaling kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Bij besluit van 3 maart 2003 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 19 november 2002 ongegrond verklaard.


1.2. De voorzieningenrechter heeft met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.


2. De Raad dient in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.


2.1. In het curriculum vitae bij appellants sollicitatie naar de functie van afdelingsmanager stelt appellant met zoveel woorden dat hij “heden” respectievelijk “momenteel” met bepaalde werkzaamheden belast is. In de sollicitatiegesprekken heeft appellant, naar hij heeft erkend, dit beeld van een feitelijk met werkzaamheden belaste ambtenaar bewust volgehouden, omdat hij de kans op het verkrijgen van de functie zo groot mogelijk wilde maken. Bij de omstandigheid dat appellant sedert december 2001 herplaatsingskandidaat was en geen werkzaamheden meer had verricht, deelt de Raad gedaagdes, door de voorzieningrechter aanvaarde, standpunt dat appellant gedaagde bij zijn sollicitatie onjuiste informatie heeft verschaft.


2.2. Appellants opvatting dat de achterwege gelaten informatie niet relevant zou zijn voor gedaagde, omdat hij de door hem in het curriculum vitae genoemde werkzaamheden wel heeft verricht en meer dan voldoende gekwalificeerd was voor de functie, kan de Raad niet delen. De bij appellant bestaande overtuiging dat hij de functie niet zou krijgen als gedaagde op de hoogte zou zijn van de niet gewerkte periodes wijst reeds op de relevantie van die informatie. Zoals namens gedaagde ter zitting nader is aangegeven heeft appellant gedaagde de mogelijkheid ontnomen om te bezien of appellant, gegeven zijn feitelijke positie en de aard van de functie, voor benoeming in aanmerking zou kunnen worden gebracht.


2.3. Aan het ontslag ligt mede ten grondslag dat appellant door die niet gewerkte periode geen recente werkervaring heeft en dat gedaagde geen vertrouwen meer heeft in de integriteit van appellant. Ter zitting heeft gedaagde aangegeven dat het ontbreken van vertrouwen in appellants integriteit de belangrijkste reden voor het ontslag heeft gevormd.


2.4. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat gedaagde op grond van appellants handelwijze niet heeft kunnen concluderen dat hij geen vertrouwen meer had in appellants integriteit. Appellant had behoren te beseffen dat integriteit in een ambtelijke organisatie van groot belang is, zeker waar appellant zich reeds in zijn sollicitatiebrief realiseerde dat het een functie betrof “op het snijvlak van overheid en bedrijfsleven in een klimaat van tegengestelde belangen”. Appellant had tevens behoren te beseffen dat zijn handelwijze niet strookte met de eisen van integriteit.


2.5. Het vorenstaande brengt ook mee dat niet gezegd kan worden dat het verstrekken van de onjuiste inlichtingen redelijkerwijs niet aan appellant verweten kan worden. De wens van appellant om door middel van deze sollicitatie een einde te maken aan de onbevredigende situatie in zijn toenmalige werksituatie kan daar niet aan afdoen.


2.6. Voor appellants zienswijze dat het ontslag in feite verleend is vanwege appellants ziektegeschiedenis heeft de Raad in de gedingstukken en in het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunt gevonden. Dat appellants onjuiste informatie bekend is geworden door zijn ziekmelding op 22 oktober 2002 en zijn in dat verband gedane melding van een langdurig niet gewerkte periode, brengt niet mee dat appellants ziektegeschiedenis de werkelijke reden voor het ontslag zou zijn.


2.7. Aangezien de Raad ook in hetgeen overigens is aangevoerd, geen grond ziet om te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Daarom komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.


2.8. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb, beslist de Raad als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en prof. mr. A.Q.C. Tak als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2005.


(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) P.M. Okyay-Bloem.


HD

25.05

Q