Centrale Raad van Beroep, 16-06-2005 / 04/6687 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2005:AT7859

Inhoudsindicatie
Erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, vanwege lichamelijke en psychische klachten. Is aanvraag voor vergoeding van aangepaste stoel, medisch vervoer en massage terecht afgewezen?
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-06-16
Publicatiedatum
2005-06-23
Zaaknummer
04/6687 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


04/6687 WUBO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 30 november 2004, kenmerk JZ/E60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft daarop schriftelijk gereageerd.


Het geding is, gevoegd met het geding nr. 04/972 WUV tussen eiseres en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, behandeld ter zitting van de Raad op 9 mei 2005. Aldaar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken is eiseres, geboren in 1927, ingevolge haar aanvraag van 13 oktober 2003 bij besluit van verweerster van 4 februari 2004 op grond van lichamelijke (rugklachten, beenklachten, maag- en darmklachten) en psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Als zodanig zijn haar ingaande 1 oktober 2003 de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en meerdere bijzondere voorzieningen toegekend, waaronder een vergoeding van de kosten van vervoer voor medische behandelingen en/of consulten en van de kosten van fysiotherapie.


Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Na herhaaldelijk contact namens verweerster met eiseres over de vraag op welke gronden dit bezwaar geacht kan worden te berusten, heeft eiseres de bekostiging van een aangepaste stoel, en van medisch vervoer en massage aan de orde gesteld.


Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar ten aanzien van de aangepaste stoel niet-ontvankelijk verklaard, op de grond - samengevat - dat het hier gaat om een bij de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad nog aanhangige zaak waarop het besluit van 4 februari 2004 geen betrekking heeft. De bezwaren ten aanzien van medisch vervoer en massage zijn ongegrond verklaard op de grond - samengevat - dat blijkens het primaire besluit op vergoeding van die kosten al aanspraak bestaat.


In beroep heeft eiseres zich vooral beklaagd over de weigering om haar de aanschafkosten van een speciale stoel te vergoeden.


Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.


Die vraag kan de Raad niet anders dan bevestigend beantwoorden. Op grond van de gedingstukken staat vast dat de aangepaste stoel in juli 2003 niet bij verweerster maar bij de Raadskamer WUV is aangevraagd. Deze Raadskamer heeft daarop ook beslist en het genomen besluit is aan de orde in de heden gevoegd behandelde zaak nr. 04/972 WUV.

Hetgeen overigens door eiseres in beroep is aangevoerd kan niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. Dat geldt met name ook de verzuchting van eiseres dat de zaken die zij met verweerster en andere instanties heeft zo gecompliceerd zijn geworden dat zij daarvan, mede vanwege haar slechte gezondheid, niets meer begrijpt. Naar ook bij huisbezoek op

8 november 2004 namens verweerster is aangegeven ligt het op de weg van eiseres om hierover dan hulp van derden in te roepen.


Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt derhalve als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. G.L.M.J. Stevens, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2005.


(get.) G.L.M.J. Stevens.


(get.) J.P. Schieveen.