Centrale Raad van Beroep, 27-10-2005 / 03/5954 WUV


ECLI:NL:CRVB:2005:AU5514

Inhoudsindicatie
Het beleid van verweerster inzake de toekenning van de voorziening “deelname aan het maatschappelijk verkeer” ingevolge artikel 21 van de WUV wordt, voor zover dat inhoudt dat buiten de clustervoorziening van extra vakantie, sociaal vervoer of telefoonkosten geen andere voorzieningen meer kunnen worden verstrekt welke mogelijk onder de noemer “deelname aan het maatschappelijk verkeer” zouden kunnen worden gebracht, door de Raad niet aanvaardbaar geacht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-10-27
Publicatiedatum
2005-11-04
Zaaknummer
03/5954 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

03/5954 WUV


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Verweerster heeft onder dagtekening 29 oktober 2003, kenmerk JZ/M60/2003/0827, ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de WUV).


Tegen dit besluit heeft namens eiser mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden bij de Raad beroep ingesteld.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 17 maart 2005. Voor eiser is daar verschenen mr. J.C.M. van Berkel voornoemd, als zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


Van oordeel dat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft de Raad daarna het onderzoek heropend.

De Raad heeft verweerster bij brief van 1 april 2005 enkele vragen gesteld, die verweerster bij schrijven van 26 mei 2005, met bijlagen, heeft beantwoord.


Het geding is vervolgens opnieuw, gevoegd met het geding nr. 04/1896 WUV, behandeld ter zitting van de Raad op

15 september 2005. Voor eiser is daar wederom verschenen mr. J.C.M. van Berkel voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken is eiser, die geboren is in 1949, uitkeringsgerechtigde ingevolge de WUV. Verweerster heeft aanvaard dat eiser psychische klachten heeft die in overwegende mate in verband staan met de vervolgingsgevolgen van zijn moeder.

Aan eiser zijn voorzieningen toegekend ter zake van, voor zover hier van belang, extra vakantie, kosten van telefoon- gesprekken, de aanschaf van een auto en het gebruik van de eigen auto voor het onderhouden van sociale contacten.

Bij op bezwaar genomen besluit, verzonden op 28 januari 2000, is aan eiser voorts ingevolge artikel 21 van de WUV een tegemoetkoming verleend in de kosten verbonden aan keyboardspelen als creatieve activiteit tot drie jaar na verzending van het besluit en voor ten hoogste f 150,-- per maand na het overleggen van nota’s.

In november 2002 is namens eiser verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een voortzetting van laatstgenoemde voorziening.


Bij besluit van 16 juli 2003, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat de mogelijkheid om deze voorziening te verstrekken met de invoering van de voorziening “tegemoetkoming voor deelname aan het maatschappelijk verkeer” (hierna DMV), is komen te vervallen.


Eiser kan zich met dat besluit niet verenigen.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.


Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren, dat in het kader van de harmonisatie van het beleid van de Raadskamers WUV en WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad inzake tegemoetkomingen in het kader van de WUV en de Wet uitkeringen burgeroorlogsgetroffenen 1940-1945 (hierna: WUBO) drie veel verleende tegemoetkomingen, te weten voor sociaal vervoer, extra vakantie en telefoon, zijn samengevoegd tot één voorziening, DMV, onder voorwaarde dat de betrokkene een causale ziekte of gebrek dan wel invaliditeit door het oorlogsletsel heeft en er in verband daarmee een wenselijkheid is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Beoogd is met de nieuwe voorziening een bijdrage te verlenen in de extra kosten die de betrokkene maakt voor vakantie, het onderhouden van sociale contacten, contacten met lotgenoten, vrijetijdsbesteding, telefoongesprekken e.d. De voorziening strekt aldus ter verbetering van levens- omstandigheden.

Verweerster heeft ter nadere verduidelijking van dit beleid aangegeven dat bij de vaststelling welke voorzieningen onder de noemer DMV dienen te worden geschaard, een - niet limitatieve - lijst is vastgesteld waarin een opsomming wordt gegeven van de voorzieningen welke door de Raadskamers worden aangemerkt als behorend tot de categorie DMV, waarbij de mogelijkheid in stand wordt gelaten ook andere, nog niet genoemde voorzieningen onder de noemer DMV te brengen. Daarnaast bestaat, alleen bij wijze van uitzondering, ten aanzien van slechts enkele specifieke voorzieningen, zoals voor verhuis- en herinrichtingskosten, nog een afzonderlijk beleid.


Deze nieuwe voorziening is voor wat betreft de WUBO ingevoerd per 1 januari 2001 en voor wat betreft de WUV per 1 januari 2002, waarbij als ingangsdatum geldt de eerste dag van de maand van aanvraag. Besloten is voorts, naar moet worden aangenomen bij wijze van overgangsregeling, de omzetting van reeds verleende tegemoetkomingen voor sociaal vervoer, extra vakantie en telefoon in een tegemoetkoming voor DMV alleen te laten plaatsvinden als dit in financieel opzicht, in totaal bezien, gunstiger is voor de betrokkene. De mogelijkheid van (voortzetting van) een tegemoetkoming voor andere voorzieningen welke zouden kunnen worden gebracht onder “deelname aan het maatschappelijk verkeer”, zoals kosten van kinderopvang, creatieve activiteiten, lotgenotencontacten enz. is komen te vervallen.


Ter aanvulling en verduidelijking van het vorenstaande is ter zitting van de kant van verweerster te kennen gegeven dat voor het verkrijgen van de voorziening DMV als enige criterium wordt gehanteerd de aanwezigheid van een causale ziekte of gebrek (WUV) dan wel invaliditeit door het oorlogsletsel (WUBO). De medisch sociale wenselijkheid van de voorziening wordt derhalve niet meer expliciet vastgesteld, maar wordt gezien het bestaan van de causale ziekten of gebreken dan wel de blijvende invaliditeit voorondersteld.

Door de soepele toekenning van de DMV-voorziening kan, aldus de gemachtigde van verweerster, op ruimere schaal een financiële tegemoetkoming ter verbetering van de levensomstandigheden worden verstrekt. Zo zijn criteria als extra en verhoogde behoefte komen te vervallen en wordt bijvoorbeeld niet meer gekeken naar de aanwezigheid van een vakantiepatroon. Er behoeven minder formulieren te worden ingevuld en een sociale rapportage en/of een medisch onderzoek is niet noodzakelijk.

Het is derhalve een gemakkelijk verkrijgbare voorziening in de vorm van een forfaitair bedrag dat de betrokkene naar eigen inzicht kan besteden.

Verweerster geeft toe dat het nieuwe beleid in financieel opzicht nadelig uitpakt voor uitkeringsgerechtigden, aan wie in het verleden meerdere afzonderlijke voorzieningen waren toegekend of voor wie alsnog een medisch sociale wenselijkheid zou kunnen worden geconstateerd voor meerdere afzonderlijke voorzieningen, maar, aldus verweerster, de nieuwe voorziening heeft ook vaak gunstig uitgewerkt. Zij merkt voorts op dat de groep uitkeringsgerechtigden die nadeel ondervindt van het nieuwe beleid relatief klein is en dat dit nadeel in haar visie niet opweegt tegen het voordeel dat het beleid voor de ouder worden doelgroep meebrengt.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerster nog meegedeeld dat voor individuele gevallen geen uitzondering wordt gemaakt op het beleid.


Ingevolge artikel 21 van de WUV kan in de ten laste van de vervolgde blijvende, voor hem, gezien zijn financiële omstandigheden, bijzondere kosten van voorzieningen verband houdende met vervolgingsgerelateerde ziekten en gebreken, welke voorzieningen strekken tot verbetering van diens levensomstandigheden, een tegemoetkoming worden verleend.

Het betreft hier volgens vaste jurisprudentie van de Raad extra kosten die de betrokkene op grond van ziekten of gebreken in verband met de vervolging heeft en uitgaan boven hetgeen voor eenieder als algemeen gebruikelijk is te achten.


De aan verweerster op grond van artikel 21 van de WUV toekomende bevoegdheid is van discretionaire aard, zodat de Raad besluiten genomen in het kader van die bevoegdheid slechts met terughoudendheid kan toetsen.


De Raad is evenwel van oordeel dat het beleid van verweerster, zoals hierboven weergegeven de grenzen van een redelijke toepassing van die wetsbepaling te buiten gaat.

Hierbij staat voor de Raad voorop dat de gemaximeerde benadering van het begrip voorzieningen ter verbetering van levensomstandigheden zoals hiervoor omschreven - hoezeer dit ook voor velen gunstig kan uitwerken - een zodanige beperking inhoudt van het toepassingsbereik van artikel 21 van de WUV dat daarmee aan dit artikel goeddeels zijn betekenis wordt ontnomen. Naar het oordeel van de Raad is een zodanige beperking zonder tussenkomst van de wetgever niet geoorloofd. Dat verweerster in dit artikel een ruime discretionaire bevoegdheid is toegekend, maakt het vorenstaande niet anders.

Daarbij komt dat aan een beleidsregel ter invulling van een bevoegdheid als hier aan de orde inherent is de bevoegdheid om van die regel af te wijken indien dat voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Een beleid dat geen mogelijk-heid laat tot het maken van uitzonderingen in bijzondere gevallen is in strijd met het bepaalde in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De Raad merkt voorts op dat de omstandigheid dat, zoals ter zitting is aangegeven en ook overigens uit de stukken naar voren komt, verweerster met betrekking tot de DMV-voorziening uitgaat van een vooronderstelde medisch sociale wenselijkheid gezien het bestaan van causale ziekten of gebreken - en om die reden ook een geneeskundig onderzoek achterwege laat - niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 21 van de WUV dat als voorwaarde stelt dat de voorziening verband houdt met causale ziekten of gebreken. Voor zover dit niet ten nadele strekt van de belanghebbenden wil de Raad aan deze buitenwettelijk te noemen wetstoepassing echter geen gevolgen verbinden.

Van belang is verder dat blijkens de ter zitting gegeven toelichting op de door de Raadskamers gemaakte beleidskeuze overwegingen van financiële aard geen rol hebben gespeeld. Ten gevolge van de soepele toekenning van de DMV-voorziening zijn immers, zo is meegedeeld, de kosten voor tegemoetkomingen in hun totaliteit aanzienlijk gestegen. Al daarom kan, zeker indien juist is dat de door het nieuwe beleid benadeelde groep uitkeringsgerechtigden naar verhouding slechts klein is, het kostenaspect voor die benadeling geen toereikende rechtvaardiging vormen.

Gezien het vorenstaande vermag de Raad, mede gelet op de doelgroep van de hier in geding zijnde wetten, niet in te zien, dat een aanvraag van een betrokkene om een voorziening met betrekking tot andere kosten dan die welke specifiek betrekking hebben op de clustervoorziening van extra vakantie, sociaal vervoer of telefoonkosten, niet zou kunnen worden gehonoreerd indien na geneeskundig onderzoek komt vast te staan dat er voor de voorziening een medisch sociale wenselijkheid bestaat op grond van causale ziekten of gebreken en er sprake is van extra kosten die uitgaan boven hetgeen voor eenieder als algemeen gebruikelijk is te achten.

De Raad acht dan ook het in geding zijnde beleid voor zover dat inhoudt dat buiten de clustervoorziening van extra vakantie, sociaal vervoer of telefoonkosten geen andere voorzieningen meer kunnen worden verstrekt welke mogelijk onder de noemer “deelname aan het maatschappelijk verkeer” zouden kunnen worden gebracht, niet aanvaardbaar. Voor zover de Raad in het verleden zich met (onderdelen van) dit beleid mocht hebben kunnen verenigen, handhaaft hij dit standpunt thans, nu de volledige reikwijdte van het beleid duidelijk is geworden, niet langer.


Het vorenstaande leidt de Raad in het hier aan de orde zijnde geding tot de volgende overwegingen.


Bij een besluit van 28 juni 2002 had verweerster reeds vastgesteld, dat in eisers geval een tegemoetkoming voor DMV niet gunstiger is dan het totaalbedrag van de hem verleende afzonderlijke tegemoetkomingen, en hem daarom in overeen- stemming met haar nieuwe beleid met ingang van 1 maart 2002 wederom een tegemoetkoming voor extra vakantie verleend.


Bij het thans in geding zijnde besluit heeft verweerster de door eiser gevraagde voortzetting van de hem op grond van artikel 21 van de WUV verleende tegemoetkoming in de kosten verbonden aan keyboardspelen als creatieve activiteit - eveneens in overeenstemming met het hierboven geschetste beleid - afgewezen onder overweging dat een voorziening voor creatieve activiteiten niet kan worden toegewezen, omdat de mogelijkheid om deze voorziening te verstrekken met de invoering van de tegemoetkoming voor DMV is komen te vervallen.


Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan gegeven motivering, nu deze berust op het door verweerster in deze gehanteerde, met name op dit punt door de Raad niet aanvaardbaar geachte beleid.


Aangezien voorts moet worden vastgesteld dat aan de afwijzing ook geen geneeskundig onderzoek ten grondslag ligt met betrekking tot de vraag of voor de gevraagde voorziening nog een medisch sociale wenselijkheid aanwezig is, zal verweerster alsnog moeten onderzoeken of voor de door eiser gevraagde voorziening inzake creatieve activiteit nog een medisch sociale indicatie aanwezig is.


Het vorenstaande betekent dat het door eiser ingestelde beroep gegrond moet worden verklaard.


De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiser, welke worden begroot op € 966,- als kosten van verleende rechtsbijstand.


Beslist wordt derhalve als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan eiser het in dit geding betaalde griffierecht ad € 27,- vergoedt, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser ad € 966,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan de griffier van de Raad.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2005.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) J.P. Schieveen.