Centrale Raad van Beroep, 10-11-2005 / 04/1374 WUV


ECLI:NL:CRVB:2005:AU6705

Inhoudsindicatie
Primair besluit onrechtmatig. Gederfde rente. Toekenning schadevergoeding. Zuiver schadebesluit.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-11-10
Publicatiedatum
2005-11-24
Zaaknummer
04/1374 WUV
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/1374 WUV


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij besluit van 20 februari 2004, kenmerk JZ/N60/2004/0103, heeft verweerster ten aanzien van eiseres toepassing gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.


Namens eiseres is tegen dit besluit beroep ingesteld door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde. In het beroepschrift is aangegeven waarom eiseres zich niet met het bestreden besluit kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 september 2005. Aldaar is eiseres verschenen bij gemachtigde

mr. A. Bierenbroodspot voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Eiseres, geboren [in] 1912, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Aan haar is bij in rechte onaantastbaar besluit van 16 september 1985 onder meer met ingang van 1 oktober 1982 het in artikel 21b (oud) van de Wet bedoelde bedrag ter zake van niet meetbare invaliditeitskosten (NMIK) toegekend.


Bij schrijven van 15 oktober 1997 heeft mr. A. Bierenbroodspot voornoemd namens eiseres bij verweerster een verzoek ingediend om alsnog over te gaan tot toekenning van NMIK met ingang van 1 januari 1978. Dit verzoek heeft verweerster bij besluit van 19 november 1997 afgewezen op de grond dat de aanwezigheid van ziekten of gebreken die in het door de Wet gevorderde verband met de vervolging staan door het ontbreken van objectieve medische gegevens niet kon worden vastgesteld. Een namens eiseres tegen dit besluit gemaakt bezwaar is bij verweersters besluit van 30 december 1997 ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat de namens eiseres in geding gebrachte medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om aan te nemen dat aan de door eiseres ondergane vervolging te relateren ziekten of gebreken zich vóór 1 oktober 1982 met een zekere continuïteit hebben gemanifesteerd. Hangende een tegen dit besluit ingediend beroep bij deze Raad is verweerster nader tot de conclusie gekomen dat de bij eiseres aanwezige causale psychische klachten zich al vóór 1 oktober 1982 met een zekere continuïteit gemanifesteerd hebben en bij besluit van 8 mei 1998 heeft verweerster haar besluit van 19 november 1997 herroepen en alsnog met toepassing van artikel 61, tweede lid, van de Wet haar besluit van 16 september 1985 herzien en aan eiseres alsnog met ingang van 1 januari 1978 NMIK toegekend. Over de periode van 1 januari 1978 tot 1 oktober 1982 is aan eiseres ter zake een bedrag van fl. 12.854,10 toegekend.


Bij schrijven van 7 mei 2003 heeft de gemachtigde van eiseres bij verweerster een verzoek ingediend tot vergoeding van de door eiseres geleden schade in de vorm van gederfde rente. Dit verzoek heeft verweerster bij besluit van 9 september 2003 gehonoreerd en aan eiseres de door haar geleden schade in de vorm van gederfde rente vergoed tot een bedrag van

€ 127,53. Hierbij is overwogen dat bij toekenning van NMIK bij besluit van 19 november 1997, verzonden op 20 november 1997, betaling uiterlijk op 18 februari 1998 had dienen plaats te vinden. Nu dit niet is geschied en betaling eerst op 30 juni 1998 heeft plaats gevonden, acht verweerster een vergoeding van rente toewijsbaar over de periode van 18 februari 1998 tot 1 juli 1998. Na namens eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerster dit standpunt bij het thans bestreden besluit gehandhaafd.


Eiseres kan zich niet verenigen met de periode waarover verweerster de rentevergoeding heeft berekend. In haar visie had door verweerster vanaf 1 oktober 1985 rente vergoed dienen te worden over de NMIK in de periode van 1 januari 1978 tot

1 oktober 1982 omdat aan eiseres bij verweersters besluit van 16 september 1985 ten onrechte niet reeds met ingang van

1 januari 1978 NMIK is toegekend.


De Raad overweegt als volgt.


Naar de Raad reeds meermalen heeft overwogen dient bij het beantwoorden van de vraag of en in welke omvang iemand schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt, aansluiting te worden gezocht bij het burgerlijk schadevergoedingsrecht.


In de civiele jurisprudentie wordt ervan uitgegaan dat, indien een besluit van een bestuursorgaan als verweerster op grond van een daartegen gemaakt bezwaar door het bestuursorgaan wordt herroepen en wordt vervangen door een nieuw besluit, de onrechtmatigheid van dit primaire besluit in beginsel is gegeven en op het bestuursorgaan de plicht rust de schade die is opgetreden als gevolg van dat herroepen besluit te vergoeden.


Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster in het kader van het onderhavige verzoek om schadevergoeding terecht tot uitgangspunt genomen haar als onrechtmatig aan te merken besluit van 19 november 1997 en bezien welke schade in de vorm van gederfde rente eiseres lijdt als gevolg van dit later herroepen besluit. Verweersters besluit van 16 september 1985, waarbij aan eiseres NMIK is toegekend, levert naar het oordeel van de Raad geen titel op tot vergoeding van schade in de vorm van gederfde rente. Hiertoe overweegt de Raad dat dit besluit niet is herroepen of gewijzigd door latere besluiten van verweerster, noch anderszins als onrechtmatig kan worden aangemerkt. De enkele omstandigheid dat verweerster naar aanleiding van een nader verzoek op basis van in het kader van dat verzoek ter beschikking gekomen medische gegevens tot het oordeel is gekomen dat eiseres alsnog over de periode van 1 januari 1978 tot 1 oktober 1982 recht op NMIK kan doen gelden, oordeelt de Raad daartoe onvoldoende. Hieraan doet niet af dat de Raad bij zijn uitspraak van 10 juli 1981,

WUV 1980/253, gepubliceerd in PS 1981, 533, en in constante jurisprudentie nadien heeft geoordeeld dat de datum met ingang waarvan NMIK wordt toegekend niet dient te worden bepaald op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag daartoe is ingediend, maar op het moment dat de betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van dat bedrag, mits dat moment na 31 december 1977 - dit in verband met de inwerkingtreding van artikel 21b (oud) van de Wet op 1 januari 1978 - is gelegen.


Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres ongegrond verklaard moet worden.


De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) J.P. Schieveen.