Centrale Raad van Beroep, 03-11-2005 / 04/3850 WUV


ECLI:NL:CRVB:2005:AU6722

Inhoudsindicatie
Weigering erkenning als vervolgingsslachtoffer op de grond dat niet is gebleken of aannemelijk is gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-11-03
Publicatiedatum
2005-11-24
Zaaknummer
04/3850 WUV
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


04/3850 WUV


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 28 mei 2004, kenmerk JZ/M60/2004/0369, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 september 2005, waar eiseres niet is verschenen. Verweerster heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, geboren in 1939, in september 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om

- voorzover thans nog van belang - haar met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen en, onder meer, een periodieke uitkering toe te kennen. Daartoe heeft eiseres in het bijzonder aangevoerd dat zij een huiszoeking heeft meegemaakt, waarbij haar vader, die KNIL-militair was in het voormalige Nederlands-Indië, met geweld door de Japanners werd opgepakt en gevangen gezet, waarna de rest van het gezin onder moeilijke omstandigheden de bezettingsjaren heeft moeten doorkomen. Tijdens zijn gevangenschap moest de moeder van eiseres haar vader van eten en drinken voorzien en verschillende malen is het gezin opgeroepen om er getuige van te zijn dat vader door de Japanners zou worden geëxecuteerd, hetgeen steeds werd afgelast. Wel werd hij ernstig mishandeld. Als gevolg daarvan zou eiseres psychische en lichamelijke klachten hebben gekregen.


Verweerster heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij besluit van 7 maart 2003, op de grond dat niet is gebleken of aannemelijk gemaakt dat eiseres vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Nadat eiseres daartegen bezwaar heeft gemaakt, heeft verweerster bij het thans bestreden besluit haar afwijzing gehandhaafd op grond van de overweging dat weliswaar de oorlogsomstandigheden van eiseres uitzonderlijk zijn, met name het getuige zijn van het met geweld wegvoeren van haar vader, maar dat het niet toepassen van de Wet ten aanzien van haar geen klaarblijkelijke hardheid vormt nu in haar geval geen sprake is van psychische of lichamelijke klachten die redelijkerwijs zijn toe te schrijven aan de meegemaakte oorlogsomstandigheden.


Eiseres heeft het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerster bestreden op de grond dat aan de hand van een interview zoals door de geneeskundig adviseur van verweerster afgenomen, geen goed beeld gevormd kan worden ten aanzien van de causaliteit van hetgeen tijdens de Japanse bezetting heeft plaats gehad en de psychische en fysieke gesteldheid waarin zij verkeert. De na-oorlogse omstandigheden hebben volgens eiseres slechts als katalysator gewerkt. Bovendien is eiseres van mening dat sprake is van inconsistentie bij de beoordeling nu haar oudere zus, die in vrijwel identieke omstandigheden heeft verkeerd, wel werd erkend. Eiseres verzoekt daarom om een nader psychiatrisch onderzoek.


De Raad overweegt als volgt.


Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Wet is verweerster, onder meer, bevoegd om met de vervolgde gelijk te stellen de persoon die voldoet aan het bepaalde in het eerste lid en tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.


Verweerster heeft - naar uit de gedingstukken blijkt - het met geweld wegvoeren van de vader van eiseres door de Japanse bezetter van het voormalige Nederlands-Indië op zichzelf aangemerkt als omstandigheid welke overeenkomst vertoont met vervolging. Niettemin heeft verweerster geweigerd om van de haar in artikel 3, tweede lid, van de Wet gegeven bevoegdheid gebruik te maken, omdat naar haar oordeel bij eiseres geen sprake is van enig(e), met die omstandigheid redelijkerwijs in verband te brengen ziekte of medisch gebrek.


Zoals de Raad reeds meermalen in eerdere gedingen heeft uitgesproken, kan verweerster bij de beoordeling van op meergenoemd artikelonderdeel gebaseerde aanspraken in redelijkheid deze norm hanteren.


Het geding spitst zich, gelet op hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, toe op de vraag of verweerster terecht en op goede gronden tot haar evengenoemde medisch standpunt is gekomen.

Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend.


Verweerster heeft haar standpunt gebaseerd op het advies van haar geneeskundig adviseur M. Hoornstra-Deurloo die, alvorens haar advies uit te brengen eiseres psychiatrisch heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij de huisarts van eiseres. In haar uitvoerig gemotiveerde rapportage overweegt genoemde medisch adviseur dat de gevolgen van het met excessief geweld wegvoeren van de vader in het bijzijn van eiseres niet van doorslaggevende betekenis zijn geweest bij het ontstaan van de psychische klachten van eiseres. Veeleer acht zij het gedwongen getuige moeten zijn van de (niet geverifieerde) bijna-executies en martelingen van haar vader tijdens zijn gevangenhouding en bovenal de na-oorlogse omstandigheden waarin eiseres heeft verkeerd (ook naderhand in Nederland) doorslaggevend voor het ontstaan van de psychische klachten van eiseres. De bij eiseres bestaande gewrichtsklachten en destijds de TBC kunnen niet in verband gebracht worden met het getuige zijn van de arrestatie van haar vader.


De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd.

Noch in de voorhanden medische gegevens noch anderszins heeft de Raad grond kunnen vinden om te twijfelen aan de juistheid van het aan de hand van genoemd advies tot stand gekomen standpunt van verweerster. De Raad heeft ook niet kunnen vaststellen dat het door verweerster gevolgde medische advies wat de waardering van de psychische klachten van eiseres betreft berust op onjuiste gegevens en/of een onjuiste interpretatie van die gegevens, terwijl andersluidende medische informatie niet in het geding is gebracht.


Wat het door eiseres gedane beroep betreft op de omstandigheid dat haar oudere zuster wel met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet is gelijkgesteld met de vervolgde doch zij niet, hoewel zij hetzelfde hebben meegemaakt, merkt de Raad op dat dit er niet toe kan leiden dat eiseres in aanmerking moet worden gebracht voor de gevraagde uitkering. Verweerster heeft dienaangaande in het verweerschrift terecht aangegeven dat de medische beoordeling een individuele beoordeling is en dat elk individu zijn ervaringen op zijn eigen manier verwerkt, zodat het goed mogelijk is dat gelijke ervaringen bij de een leiden tot invaliditeit en bij de ander niet. De Raad tekent hierbij nog aan dat in dit verband er niet aan voorbij kan worden gezien dat de zus van eiseres ten tijde van de gewelddadige huiszoeking 5 jaar oud was, terwijl eiseres toen net 3 jaar oud was en dat dat verschil in leeftijd in die levensfase van wezenlijk belang kan zijn voor de wijze waarop de oorlogsgebeurtenis wordt beleefd en verwerkt.


Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt derhalve als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) E. Heemsbergen.