Centrale Raad van Beroep, 03-11-2005 / 04/5659 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2005:AU6726

Inhoudsindicatie
Ten tijde van aanvraag geen Nederlandse, geen bijzondere medische omstandigheden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-11-03
Publicatiedatum
2005-11-24
Zaaknummer
04/5659 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


04/5659 WUBO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 29 september 2004, kenmerk JZ/P60/2004, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift - nog toegelicht bij brief van 20 augustus 2005 - is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 september 2005, waar eiseres niet is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Blijkens de gedingstukken heeft eiseres, die is geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, in september 2003 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en enkele bijzondere voorzieningen. Die aanvraag heeft eiseres gebaseerd op gezondheidsklachten die een gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.


Aangezien eiseres die sinds 1995 in Nederland woont en in 1996 met een Nederlander is gehuwd, de Indonesische nationaliteit bezit, heeft verweerster met instemming van eiseres genoemde aanvraag in eerste instantie getoetst op de vraag of het niet voldoen van eiseres aan het nationaliteitsvereiste in haar geval een belemmering vormt.


Verweerster heeft de aanvraag van eiseres vervolgens afgewezen bij besluit van 29 januari 2004, primair op de grond dat zij niet voldoet aan het in artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet gestelde vereiste dat zij ten tijde van de aanvraag de Nederlandse nationaliteit heeft en dat niet is gebleken van bijzondere (medische) omstandigheden op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn de Wet niet toe te passen.


Nadat eiseres daartegen bezwaar heeft gemaakt, heeft verweerster bij het thans bestreden besluit haar afwijzing gehandhaafd, nu subsidiair op grond van de overweging dat weliswaar vast is komen te staan dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld, namelijk internering in kamp Mandjoeng tijdens de Bersiap-periode, maar dat eiseres niet voldoet aan de eveneens ingevolge de Wet voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer geldende eis dat sprake is van blijvende invaliditeit tengevolge van dit oorlogsgeweld.


Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Naar haar mening is zij door het meegemaakte oorlogsgeweld wel degelijk blijvend psychisch beschadigd.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.


Vaststaat dat eiseres voldoet aan het ingevolge artikel 3, eerste lid, onder a, van de Wet geldende vereiste dat degene die als burger is getroffen door oorlogsgeweld op de datum van aanvraag hier te lande gevestigd is, maar dat zij niet voldoet aan het tevens geldende vereiste dat zij op de datum van aanvraag de Nederlandse nationaliteit bezit. Deze vereisten vloeien voort uit het bij de totstandkoming van de Wet vastgestelde uitgangspunt dat de bijzondere solidariteitsplicht jegens burger-oorlogsslachtoffers die aan de Wet ten grondslag ligt een naar woonland en nationaliteit beperkte reikwijdte heeft.


Ingevolge artikel 3, zesde lid, van de Wet kan verweerster de Wet tevens van toepassing verklaren op degene, die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of daarna als burger is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, doch niet aan evenvermelde eisen voldoet, indien het niet toepassen van de Wet zou leiden tot een klaarblijkelijke hardheid. De bij artikel 3, zesde lid, van de Wet aan verweerster verleende bevoegdheid is discretionair van aard hetgeen betekent dat de Raad het besluit op dit punt slechts met terughoudendheid kan toetsen.


Verweerster heeft in deze als beleid vastgesteld dat de antihardheidsbepaling alleen toepassing kan vinden indien er tenminste sprake is van een hechte en duurzame verbondenheid met het Nederlandse volk zowel ten tijde van de oorlogsgebeurtenis als ten tijde van de aanvraag om erkenning.

In zijn algemeenheid kan deze verbondenheid ten tijde van het oplopen van het oorlogsletsel blijken uit:

- het bezitten van de Nederlandse nationaliteit dan wel het zijn van Nederlands onderdaan in de zin van de toenmalige wet van 10 februari 1910, Stb. 1910, 55, of

- het gevestigd zijn als vreemdeling in Nederland dan wel in het voormalige Nederlands-Indië.

De verbondenheid ten tijde van de aanvraag kan blijken uit:

- het bezitten van de Nederlandse nationaliteit of

- het gevestigd zijn in Nederland.

Indien aan beide voorwaarden is voldaan, wordt individueel beoordeeld in hoeverre in de desbetreffende situatie sprake is van een klaarblijkelijke hardheid. Voor de situatie, dat de betrokkene buiten Nederland is gevestigd ten tijde van de aanvraag, is beleid ontwikkeld waarbij met name is gedacht aan grenscorrecties en medische motieven als reden voor die vestiging.

Tevens acht verweerster de antihardheidsbepaling toepasbaar in situaties dat de betrokkene ten tijde van de calamiteit in Nederland woonachtig was en tot de datum van aanvraag onafgebroken in Nederland heeft verbleven, doch nimmer de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten.


Eiseres was ten tijde van de gestelde calamiteit in het voormalige Nederlands-Indië woonachtig, is in 1992, 1993 en 1994 in Nederland met vakantie geweest, is sedert 1995 in Nederland woonachtig en op 16 januari 1996 met een Nederlander gehuwd.

Verweerster acht in het geval van eiseres geen bijzondere (medische) omstandigheden aanwezig op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn de Wet niet toe te passen.

Uit het de aanvraag begeleidende rapport komt naar voren dat met het oog op de antihardheidsclausule door de rapporteur contact is opgenomen met de Pensioen- en Uitkeringsraad en dat een van de medewerkers heeft geadviseerd toch een aanvraag te doen omdat er sprake kan zijn van een verbondenheid met de Nederlandse samenleving; behalve een dochter van eiseres wonen ook haar twee zusters in Nederland. Naar uit het intern advies in de primaire besluitfase kan worden afgeleid, werd er geen goede reden gezien waarom eiseres thans in het bezit is van de Indonesische nationaliteit.

De Raad is evenwel niet gebleken dat op enigerlei wijze is nagegaan waarom eiseres (nog) niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

De Raad is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit niet kan worden gedragen door de daaraan primair ten grondslag gelegde weigeringsgrond.


Beoordeeld moet vervolgens worden of de subsidiaire grond waarop verweerster haar besluit heeft gebaseerd voldoende draagkrachtig is, te weten de grond dat bij eiseres geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.


Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend.


Het standpunt van verweerster dat bij eiseres geen sprake is van blijvende invaliditeit ten gevolge van haar oorlogservaringen is in overeenstemming met het advies van de geneeskundig adviseur van verweerster, A.J. Maas. Dit advies berust op informatie van de huisarts van eiseres en op de resultaten van bij eiseres verricht medisch onderzoek door de arts J. Hansma. Deze laatste heeft eiseres op 6 september 2004 medisch/psychia-trisch onderzocht en heeft in zijn rapport van 8 september 2004 vastgesteld dat de bij eiseres bestaande psychische klachten geen verband houden met haar oorlogservaringen, evenmin als haar knie- en oogklachten, die respectievelijk berusten op gonartrose (een degeneratief proces) en verouderingsprocessen van de lens van het oog.


In de voorhanden medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunt gevonden om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseur, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel, verband houdend met het oorlogsgeweld waaraan eiseres heeft blootgestaan. Zo komt uit het rapport van de arts Hansma naar voren dat de psychische klachten van eiseres vooral bestaan uit angst om ergens alleen op af te stappen en de behoefte zich door iemand te laten begeleiden. Deze afhankelijkheid heeft ze altijd al gehad en is niet te relateren aan de kampperiode waaraan eiseres weinig specifieke herinneringen heeft en weinig aan terug denkt, doch zijn te relateren aan de algemene oorlogsomstandigheden waaraan in meerdere of mindere mate eenieder heeft blootgestaan en welke niet zijn aan te merken als direct tegen de aanvrager gerichte handelingen of maatregelen in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.


Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt derhalve als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 november 2005.


(get.) C.G. Kasdorp.


(get.) E. Heemsbergen.