Centrale Raad van Beroep, 10-11-2005 / 04/2775 AW


ECLI:NL:CRVB:2005:AU6957

Inhoudsindicatie
Einde dienstbetrekking: terugbetaling van de bezoldiging over de genoten uren van het ouderschapsverlof.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-11-10
Publicatiedatum
2005-11-28
Zaaknummer
04/2775 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • TAR 2006/23
Uitspraak

04/2775 AW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:



[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland, gedaagden.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 29 maart 2004, nr. AWB 03/2298 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagden hebben een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 6 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Aiken, werkzaam bij de provincie Zuid-Holland.



II. MOTIVERING


1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Appellant was [naam functie] bij de provincie Zuid-Holland. Hem is bij besluit van 11 juni 2001 met toepassing van artikel D.17 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies (CAP) betaald ouderschapsverlof verleend voor 5,68 uur per week gedurende de periode van 1 juli 2001 tot 1 juli 2002. Bij besluit van 23 juli 2002 hebben gedaagden aan appellant op zijn verzoek per 1 september 2002 ontslag verleend, zulks met het oog op het aanvaarden van het ambt van officier van justitie. Bij begeleidende brief van gelijke datum is appellant gewezen op zijn verplichting tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten uren van het ouderschapsverlof.


1.2. Bij brief van 26 juli 2002 heeft appellant verzocht om ontheffing van de verplichting tot terugbetaling dan wel machtiging van het terug te betalen bedrag. Dit verzoek is afgewezen bij besluit van 7 oktober 2002, na bezwaar gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit van 22 april 2003.


1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.


2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


2.1. Ingevolge artikel D.17, zesde lid, eerste volzin, van de CAP is de ambtenaar verplicht tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten uren van het ouderschapsverlof, wanneer hem tijdens het ouderschapsverlof of binnen zes maanden na afloop daarvan op zijn aanvraag of op grond van aan hem te wijten feiten of omstandigheden ontslag is verleend. Gedeputeerde staten kunnen de ambtenaar ingevolge de tweede volzin van deze bepaling ontheffing van de terugbetalingsplicht verlenen.


2.2. Aan appellant is op zijn verzoek ontslag verleend binnen zes maanden na afloop van het ouderschapsverlof, zodat gedaagden bevoegd waren deze terugbetalingsverplichting aan hem op te leggen. Vast staat dat gedaagden geen beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben vastgesteld omtrent de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing. Wel hebben zij zich beroepen op een bestendige gedragslijn dat ontheffing (slechts) wordt verleend indien sprake is van onvermijdelijk meeverhuizen met de partner en na die verhuizing heen en weer reizen redelijkerwijs niet meer mogelijk is - dit geval wordt expliciet genoemd in de toelichting bij artikel D.17 van de CAP - dan wel indien de provincie in enige mate betrokken is geweest bij het vinden van de nieuwe werkkring. Met dit laatste wordt gedoeld op het geval dat de provincie er belang bij heeft dat het dienstverband (op eigen verzoek van de ambtenaar) wordt beëindigd.


2.3. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellant dat het ontbreken van (schriftelijk vastgelegde en deugdelijk bekend gemaakte) beleidsregels op zichzelf reeds betekent dat moet worden gesproken van willekeurige toepassing van de ontheffingsbevoegdheid. Die omstandigheid brengt slechts met zich dat gedaagden, gelet op het bepaalde in artikel 4:82 van de Awb, ter motivering van het bestreden besluit niet met een enkele verwijzing naar hun vaste gedragslijn kunnen volstaan. De opvatting van appellant dat bij gebreke van beleidsregels de voor hem minst bezwarende beslissing behoorde te worden genomen, vindt geen grondslag in het recht.


2.4. Anders dan appellant betoogt, zijn met de onder 2.2. bedoelde ontheffingsgronden de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet overschreden. Meer in het bijzonder kan aan gedaagden niet de bevoegdheid worden ontzegd om in voorkomende gevallen het belang van de provincie bij het tot stand komen van een ontslagregeling te laten prevaleren boven het belang van de provincie bij handhaving van de terugbetalingsverplichting.


2.5. Niet kan worden staande gehouden dat zich hier een geval voordoet zoals onder 2.2. omschreven. Blijkens het bestreden besluit, zoals in beroep en hoger beroep nader toegelicht, stellen gedaagden zich op het standpunt dat dan in beginsel onverkort aan de terugbetalingsverplichting moet worden vastgehouden. De Raad kan dit standpunt niet voor rechtens onjuist houden. In artikel D.17, zesde lid, van de CAP heeft de materiële wetgever de omstandigheden aangegeven waaronder de terugbetalingsverplichting intreedt. Mede gezien de aard van die bepaling is een strikte toepassing gerechtvaardigd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die redelijkerwijs niet kunnen worden geacht in het wettelijk voorschrift te zijn verdisconteerd.


2.6. De Raad verwerpt de stelling van appellant dat hij zich niet van de terugbetalingsverplichting bewust behoefde te zijn. Het gaat hier, als gezegd, om een wettelijk voorschrift. Bovendien is appellant reeds in het besluit tot toekenning van het ouderschapsverlof op de verplichting gewezen. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Hoe appellant van het bestaan van de ontheffingsbevoegdheid op de hoogte is geraakt, acht de Raad voor de beoordeling van dit beroep niet van belang.


2.7. De door appellant geschetste parallel met de situatie van de meeverhuizende partner kan niet als juist worden aanvaard. Appellant heeft zelf voor een carrière als officier van justitie gekozen. Niet is gesteld dat hij daartoe (mede) door een loopbaankeuze van zijn partner was genoodzaakt.


2.8. Ook de door appellant getrokken vergelijking met de toepassing van de studiekostenregeling gaat niet op. Ouderschapsverlof is in dit verband niet op één lijn te stellen met het volgen van een studie op kosten van de werkgever.


2.9. Wat er zij van de door appellant gestelde handelwijze van gedaagden bij vermindering van werktijd in aansluiting op genoten ouderschapsverlof, vermindering van werktijd is iets anders dan het geheel en al beëindigen van het dienstverband.


2.10. De Raad acht niet van betekenis dat appellant hetzelfde aantal uren ouderschapsverlof ook gedurende een kortere periode dan een jaar had kunnen opnemen, in welk geval dit verlof meer dan zes maanden voor het ontslag had kunnen eindigen. Die situatie heeft zich immers in feite niet voorgedaan. Appellant heeft geen begin van bewijs geleverd voor zijn stelling dat de keuze voor het uitsmeren van het verlof over een tijdvak van een jaar uitsluitend in het dienstbelang is gemaakt. De gedingstukken maken juist aannemelijk dat bij die keuze de persoonlijke belangen van appellant mede zijn betrokken. De Raad ziet dan ook onvoldoende grond voor inwilliging van het verzoek van appellant tot het alsnog (laten) oproepen van getuigen.


2.11. Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd, leidt de Raad evenmin tot het oordeel dat niet kan worden gesproken van een bestendige gedragslijn in de door gedaagden bedoelde zin of dat zich in het geval van appellant bijzondere omstandigheden voordoen die dit geval wezenlijk onderscheiden van de situatie waarop artikel D.17, zesde lid, van de CAP ziet. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat gedaagden zich bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat voor - gehele of gedeeltelijke - ontheffing van de terugbetalingsverplichting geen plaats was, dan wel daarbij anderszins hebben gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.


2.12. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.


3. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.



Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2005.



(get.) H.A.A.G. Vermeulen.



(get.) P.W.J. Hospel.