Centrale Raad van Beroep, 20-12-2005 / 05-3395 LIQ


ECLI:NL:CRVB:2005:AU8519

Inhoudsindicatie
Voormalig mijnwerker met beroepsziekte, silicose. Is tijdig verzoek om schadeloosstelling ingediend? Herhaalde aanvraag. Geen nieuwe feiten.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-12-20
Publicatiedatum
2005-12-22
Zaaknummer
05-3395 LIQ
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/3395 LIQ


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. D. Grégoire, advocaat te Sittard, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 mei 2005, nummer AWB 04/1469 LIQ, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 november 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Grégoire en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.F. Sturmans, werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB).


II. MOTIVERING


Appellant heeft op 5 maart 1990 een aanvraag om een schadeloosstelling (rente) ingevolge de Ongevallenwet 1921 (verder: OW) bij gedaagde ingediend in verband met de omstandigheid dat hij als gewezen mijnwerker lijdt aan de ziekte silicose.


Bij beslissing van 20 december 1993 is appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een rente krachtens de OW omdat hij zijn verzoek te laat heeft ingediend.


Dit heeft geleid tot de tussen partijen gewezen uitspraak van de Raad van 14 mei 1996, 94/2170 LIQ-OW, waarin als volgt is geoordeeld.


"de behandelend longarts van appellant, dr. F.P.V. Maesen, heeft appellant medegedeeld dat appellant lijdende is aan silicose.

Appellant heeft echter eerst op 5 maart 1990 een aanvraag om een schadeloosstelling bij gedaagde ingediend.


Een beroep op het derde lid van artikel 73 van de OW kan alleen dan tot ontvankelijkheid in het verzoek om een schadeloosstelling leiden, indien de betrokkene aantoont dat hij pas korter dan een jaar voor de indiening van zijn verzoek redelijkerwijs had kunnen onderkennen dat tengevolge van de beroepsziekte silicose zijn geschiktheid voor de door hem in de mijnen verrichte werkzaamheden was verminderd.


Uitgaande van het tijdstip waarop dr. Maesen appellant heeft medegedeeld dat appellant aan silicose leed, is het in 1990 ingediende verzoek te laat ingediend bij gedaagde zodat gedaagde appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn verzoek om schadeloosstelling."


Na deze uitspraak van de Raad heeft mr. Grégoire, verwijzend naar een eerder bezoek van appellant aan het kantoor Maastricht van de SVB in 1998, op 8 april 2004 namens appellant wederom een verzoek om een rente ingevolge de OW bij gedaagde ingediend in verband met silicose.


Het verzoek heeft geleid tot een besluit van 8 juni 2004 waarin appellant wegens te late aanvraag wederom niet-ontvankelijk is verklaard in zijn verzoek om een rente ingevolge de OW onder verwijzing naar het tijdstip waarop appellant door de mededeling van dr. Maesen wist dat hij lijdende was aan silicose.


In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat, nu naar zijn mening zijn voormalige werkgever, [naam werkgever], bij gedaagde geen aangifte heeft gedaan op grond van het bepaalde in artikel 66 van de OW, aan appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij zich niet tijdig heeft gemeld.


Bij besluit van 14 september 2004, verder: het bestreden besluit, heeft gedaagde appellants bezwaar ongegrond verklaard.


In het bestreden besluit is daartoe onder meer het volgende overwogen:

"Als excuus voor de te late aanvraag heeft u aangevoerd dat op uw werkgever een meldingsplicht heeft gerust en deze plicht geschonden is. Overigens heeft u tijdens de hoorzitting hieraan toegevoegd dat uzelf hiervan geen melding mocht maken, juist vanwege deze verplichting.


In artikel 72, lid 1 van de Ongevallenwet 1921 is echter bepaald, dat hij die ingevolge deze wet vermeent aanspraak te hebben op een schadeloosstelling en aan wie die niet ambtshalve is toegekend, bevoegd is om zich met zijn aanvrage tot het bestuur (van de Sociale Verzekeringsbank) te wenden; indien de aanspraak gegrond wordt bevonden, wordt de schadeloosstelling vastgesteld en toegekend.


Bovendien heeft de Centrale Raad van Beroep met haar uitspraak van 19 april 1990 de bewijslast voor het tijdig aanvragen, zoals verwoord in lid 3 van dit artikel, nadrukkelijk bij de betrokken oud-mijnwerkers neergelegd:


"Lettend op de tekst van deze bepaling kunnen eisers gelet op het derde lid van artikel 73 alleen dan in hun verzoek om schadeloosstelling worden ontvangen indien zij pas korter dan een jaar voor de indiening van hun verzoeken redelijkerwijs hadden kunnen onderkennen dat ten gevolge van de beroepsziekte silicose hun geschiktheid voor de door hen in de mijnen verrichte werkzaamheden verminderd was. De Raad realiseert zich dat daarmee een zeer zware bewijslast op eisers rust, reeds omdat het op zichzelf erg onwaarschijnlijk is dat eisers gedurende zoveel jaren een verminderde geschiktheid door voornoemde, bij veel mijnwerkers voorkomende ziekte niet zouden hebben kunnen bevroeden. .......


Een beroep op onbekendheid met de mogelijkheid tot het geldend maken van rechten ingevolgde de OW 1921 kan eisers met name daarom niet baten, nu meergenoemd artikel 73 van die wet met betrekking tot het doen van aangifte een eigen verantwoordelijkheid van verzekerde kent en het derde lid van dat artikel het vervallen van het recht op schadeloosstelling niet afhankelijk stelt van het al dan niet kennen van bedoelde verantwoordelijkheid." (deze uitspraak,

aaknrs Liq. OW 1986/2, 3 ,4, en 5 hebben wij bijgevoegd)


Gelet op het voorafgaande hebben wij uw bezwaarschrift ongegrond verklaard."


Blijkens de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich met deze overwegingen van het bestreden besluit kunnen verenigen en het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.


In hoger beroep heeft mr. Grégoire namens appellant zijn standpunt herhaald.


De Raad oordeelt als volgt.

De Raad constateert dat de niet-ontvankelijkverklaring van een eerdere aanvraag van appellant bij besluit van gedaagde van 20 december 1993 bij uitspraak van de Raad van 14 mei 1996, 94/2170 LIQ-OW in rechte onaantastbaar is geworden.


Voorts stelt de Raad vast dat mr. Grégoire een op 8 april 2004 gedateerde, nieuwe aanvraag van dezelfde strekking namens appellant heeft ingediend.

Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.


Al vaker, onder meer in zijn uitspraak van 5 januari 2005, LJN: AS4584, heeft de Raad overwogen dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg.


Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing - waaronder bij de toepassing van artikel 4:6 van de Awb naar het oordeel van de Raad tevens moet worden verstaan een niet-ontvankelijkverklaring als hier aan de orde - handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.


Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.


Ter ondersteuning van appellants herhaalde aanvraag heeft mr. Grégoire aangevoerd dat, nu naar zijn mening appellants voormalige werkgever, [naam werkgever], bij gedaagde geen aangifte heeft gedaan op grond van het bepaalde in

artikel 66 van de OW, aan appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij niet tijdig een aanvraag heeft ingediend.


Aan de hand van dit betoog oordeelt de Raad dat in dit geding geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangevoerd maar van de zijde van appellant uitsluitend een betoog met nieuwe juridische argumenten is gehouden om tot een andere uitleg van artikel 73 van de OW te komen en aldus appellants herhaalde aanvraag te doen slagen.


Voorts is de Raad van oordeel dat dit betoog ook al in het geding 94/2170 LIQ-OW had kunnen worden gehouden en dat doel en strekking van artikel 4:6 van de Awb in elk geval niet is om een in het verleden gevoerde en geëindigde rechtstrijd met nieuwe juridische argumenten nog eens over te kunnen doen.


Hiervan uitgaande kan, gelet op hetgeen van de zijde van gedaagde is aangevoerd, naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.


De aangevallen uitspraak komt daarom met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.


De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 december 2005.


(get.) J.E.M.J. Hetharie.


(get.) K.J.S. Spaas.