Centrale Raad van Beroep, 29-12-2005 / 04/4123 MAW


ECLI:NL:CRVB:2005:AU9228

Inhoudsindicatie
Majoor luchtmacht, geplaatst in Duitsland, aldaar woning gehuurd. Tevens houdt hij woning in Nederland aan. Verzoek om tegemoetkoming in dubbele woonlasten -behoudens over 1 maand- afgewezen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2005-12-29
Publicatiedatum
2006-01-09
Zaaknummer
04/4123 MAW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/4123 MAW



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland, appellant,


en


de Commandant Commando Luchtstrijdkrachten als rechtsopvolger van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, gedaagde.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 juni 2004, nr. AWB 03/721 MAWKLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van 17 november 2005, waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.E.B. Gorsira, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Appellant is niet verschenen.



II. MOTIVERING


1. Appellant, majoor bij de Koninklijke luchtmacht, is met ingang van 28 oktober 2002 geplaatst te [woonplaats], Duitsland. Met ingang van 1 augustus 2002 heeft appellant een woning gehuurd in [woonplaats]. Appellant heeft zijn woning in Nederland aangehouden.


1.1. Op 29 oktober 2002 heeft appellant gedaagde verzocht hem in aanmerking te brengen voor een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten. Op dit verzoek is afwijzend beslist. Na bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 8 januari 2003 appellant alsnog over één maand een tegemoetkoming in de gemaakte dubbele woonlasten verstrekt. Het bezwaar is voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen deze ongegrondverklaring heeft appellant beroep ingesteld.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak dat beroep ongegrond verklaard.


3.1. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder d, van het Verplaatsingskostenbesluit militairen (hierna: VKBM) bestaat voor de militair ter zake van een verhuizing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanspraak op een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten. In artikel 16 van het VKBM is bepaald dat deze tegemoetkoming wordt toegekend voor een periode van ten hoogste vier maanden, voor zover deze kosten door het bevoegde gezag als noodzakelijk worden beoordeeld.


3.2. De hier in geding zijnde afwijzing is blijkens het bestreden besluit gebaseerd op de overweging dat de dubbele woonlasten zijn ontstaan door het aanhouden van de eigen woning in Nederland en het in een relatief vroeg stadium huren van een woning in [woonplaats], terwijl dit laatste niet nodig was. Gedaagde heeft gesteld dat de woningsituatie in de omgeving van [woonplaats] zodanig was dat appellant te allen tijde een woning had kunnen huren op een datum dichter gelegen bij de datum van plaatsing. Gedaagde acht de door appellant gemaakte dubbele woonlasten dan ook slechts met betrekking tot de maand oktober 2002 noodzakelijk.


3.3. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat de stelling van gedaagde met betrekking tot de woningmarkt ter plaatse onjuist is. Ter zitting is namens gedaagde nog toegelicht dat gedaagde beschikt over een ruim aanbod aan woonruimte ter plaatse, maar dat sommige militairen - zoals ook appellant - er de voorkeur aan geven om buiten de specifiek voor militairen bedoelde wijk te wonen en zelfstandig woonruimte te zoeken. Gedaagde heeft daar geen bezwaar tegen, maar die keuze dient voor rekening van betrokkene te blijven, in elk geval voorzover daardoor onnodig dubbele woonlasten ontstaan. Gedaagde heeft appellant wel de makelaars-courtage vergoed.

De Raad acht deze opstelling van gedaagde, bezien in het licht van de hem op grond van artikel 16, voornoemd, toekomende beoordelingsvrijheid, niet onaanvaardbaar.


3.4. Dat bij appellant gerechtvaardigde verwachtingen zouden zijn gewekt omtrent verdergaande aanspraken op een tegemoetkoming is niet aannemelijk geworden, nu de medewerker die de beweerde toezeggingen zou hebben gedaan dit ontkent en stelt slechts te hebben vermeld wat de formele grondslag voor de tegemoetkoming is en hoe de berekening plaatsvindt.


3.5. Ook appellants beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Appellant heeft immers, naar gedaagde terecht heeft opgemerkt, geen concrete gevallen als voorbeeld genoemd, zodat gedaagde niet in staat is zich tegen deze grief te verweren.


3.6. Tot slot acht de Raad voldoende aannemelijk geworden dat het een bestendige gedragslijn van gedaagde is om bij het aanhouden van de eigen woning in Nederland niet de maximale vier maanden, maar slechts één maand dubbele woonlasten voor vergoeding in aanmerking te brengen. Niet gebleken is dat wat betreft appellant daarop een uitzondering moest worden gemaakt.


3.7. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak.


Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2005.



(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.



(get.) P.W.J. Hospel.