Centrale Raad van Beroep, 19-01-2006 / 04/6821 AW + 04/6825 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AV0492

Inhoudsindicatie
Ernstig plichtsverzuim. Ontslag. Omvang geding.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-01-19
Publicatiedatum
2006-01-27
Zaaknummer
04/6821 AW + 04/6825 AW
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/6821 AW + 04/6825 AW


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,


en


de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) van 9 november 2004, nrs. 04/831, 04/971 en 04/272 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.


Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.


Beide partijen hebben nadere stukken ingezonden.


Het geding is behandeld ter zitting van 8 december 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door

mr. J. Jaab, advocaat te Maarssen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij de Belastingdienst.


II. MOTIVERING


1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1. Appellant is sedert 1977 bij gedaagde werkzaam, aanvankelijk bij de douane en sedert 1997 als deurwaarder. In november 2002 is bij een controle gebleken dat appellant gedurende een groot aantal jaren aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting voor derden heeft ingevuld en een deel daarvan zelf heeft ondertekend. Ook is gebleken dat meer dan de helft van die aangiften fouten bevatten ten nadele van de Belastingdienst.


1.2. Voorts zijn de aangiften voor de inkomstenbelasting van appellant over 1998 en 2000 door de desbetreffende inspecteur gecorrigeerd, omdat appellant ten onrechte hypotheekrente die door hem wordt betaald voor de door zijn ouders bewoonde woning als aftrekpost heeft opgevoerd.


1.3. Nadat appellant met deze constateringen was geconfronteerd en in de gelegenheid was gesteld daarop te reageren, is hij bij besluit van 11 november 2003 geschorst met toepassing van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Daarbij is bepaald dat zijn bezoldiging de eerste zes weken voor een derde deel en vervolgens geheel wordt ingehouden. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 februari 2004. Op dezelfde datum heeft gedaagde appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR met ingang van de tweede dag na dagtekening van het besluit wegens ernstig plichtsverzuim gestraft met onvoorwaardelijk ontslag. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2004.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep tegen de besluiten op bezwaar van 12 februari 2004 en 8 oktober 2004 ongegrond verklaard.


omvang geding


3. Appellant heeft blijkens zijn hoger beroepschrift deze uitspraak uitsluitend aangevochten voorzover deze het strafontslag betreft. Ook gedaagde heeft dit zo opgevat. De Raad zal zich dan ook tot dit onderdeel beperken en voorbij gaan aan de eerst ter zitting geponeerde stelling dat het beroep ook geacht moet worden te zijn gericht tegen de schorsing en inhouding van de bezoldiging.


4. De rechtbank heeft het beroep tegen het strafontslag ongegrond verklaard, maar heeft daaraan voorafgaand overwogen dat het hiervóór onder 1.2. genoemde feit niet als plichtsverzuim kan worden aangemerkt. Gedaagde heeft zich daarbij neergelegd. Dit betekent dat in dit geding uitsluitend aan de orde is de vraag of het genoemde onder 1.1. als plichtsverzuim is te kwalificeren en zo ja, of het verleende strafontslag daaraan niet onevenredig is.


plichtsverzuim


5. In het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst (RPVB) is in artikel 10.1.3.3. een nadere uitwerking gegeven van het in artikel 61, derde lid, van het ARAR neergelegde verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de functie of de goede functionering van de openbare dienst niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. In die bepaling is onder meer vermeld dat het voor belastingambtenaren is verboden voor derden aangiftebiljetten in te vullen, tenzij het bloed- en aanverwanten in de eerste of tweede graad betreft of anderen, welke daartoe zelf niet in staat zijn.


5.1. Vast staat dat appellant aangiftebiljetten voor de inkomstenbelasting voor derden heeft ingevuld, waaronder derden die niet vallen onder de in het RPVB gemaakte uitzondering voor bloed- en aanverwanten in de eerste en tweede graad. Nu gesteld noch gebleken was dat het om personen ging die zelf niet in staat zijn tot het invullen van die biljetten, betekent dit (in beginsel) dat gedaagde terecht heeft vastgesteld dat appellant in strijd heeft gehandeld met het in artikel 61, derde lid, van het ARAR neergelegde verbod, zoals nader uitgewerkt in het RPVB.


5.2. Eerst in hoger beroep heeft appellant de stelling betrokken dat de vrienden en kennissen voor wie hij de aangiften deed, daartoe zelf niet bij machte waren, zodat zij eveneens vielen onder de hiervoor genoemde uitzondering.

Daarbij is gesteld dat het begrip “niet in staat zijn” niet nader is toegelicht en om die reden ruim moet worden uitgelegd. Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat betrokkenen zich bereid hebben verklaard inzage te geven in hun medisch dossier.

De Raad deelt niet de stelling dat het begrip “niet in staat zijn” ruim moet worden uitgelegd. Weliswaar heeft hij in zijn uitspraak van 18 september 2003, LJN AL6248, overwogen dat aan dit criterium niet alleen is voldaan wanneer de betrokkene fysiek en/of psychisch geheel buiten staat is, bijvoorbeeld in het geval van een coma, maar uit deze uitspraak, die hulp aan een blinde betrof die niet kon beschikken over een brailleversie van een aangifteformulier, mag niet de conclusie worden getrokken dat de Raad een ruime uitleg van het begrip heeft omarmd. Van belang is immers dat het hier een uitzondering betreft op een verbod. Daarbij ligt een ruime uitleg niet in de rede. Voorts sluit de Raad zich aan bij hetgeen namens gedaagde is aangevoerd met betrekking tot de jaarlijks georganiseerde acties van de Belastingdienst ten aanzien van het verlenen van hulp bij het invullen van aangiften (HUBA). Gelet hierop is de conclusie gerechtvaardigd dat slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden gesproken van personen die zelf niet in staat zijn tot het invullen van een biljet voor de inkomstenbelasting. Van zulke uitzonderlijke gevallen is hier niet gebleken. Nu appellant zijn in het begin van deze alinea vermelde stelling eerst in een zeer laat stadium van de procedure naar voren heeft gebracht terwijl hij dit veel eerder had kunnen doen en daarbij ook medische gegevens had kunnen verstrekken, laat de Raad deze stelling verder voor wat zij is.


5.3. De ondertekening van de aangiften door appellant is eveneens in strijd met de voorschriften. De verklaring van appellant dat hij niet wist dat het invullen en ondertekenen van aangiftebiljetten van derden niet was toegestaan, acht de Raad niet geloofwaardig. Van de zijde van gedaagde is genoegzaam aangegeven dat aan dit verbod binnen de Belastingdienst sinds jaar en dag en op vele manieren ruchtbaarheid is gegeven. Dat appellant al die signalen heeft genegeerd moet voor zijn risico blijven. Zo hij van het verbod niet op de hoogte was is hem dat te verwijten, omdat hij dit wel had kunnen en ook moeten zijn.


5.4. Vast staat dat appellant meer dan de helft van de aangiftebiljetten foutief en ten nadele van de Belastingdienst heeft ingevuld. Appellant heeft gesteld dat hij niet meer heeft gedaan dan gebruik maken van de hem door de betrokken derden aangeleverde gegevens. Met de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat hem hier een verwijt valt te maken, omdat van een ambtenaar van de Belastingdienst mag worden verwacht dat hij bij het invullen zich ervan probeert te vergewissen dat hij over de juiste gegevens beschikt. Appellant heeft dit klaarblijkelijk niet of onvoldoende gedaan, gezien ook de (aard van de) door hem gemaakte fouten. Of daarbij sprake was van opzet kan in het midden blijven.


5.5. Gelet op het vorenstaande heeft gedaagde de onder 1.1. genoemde gedragingen terecht aangemerkt als plichtsverzuim.

5.6. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat het verleende onvoorwaardelijk strafontslag aan dit (resterende) als ernstig aan te merken plichtsverzuim niet onevenredig is. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat aan een belastingambtenaar als appellant hoge eisen moeten worden gesteld ten aanzien van integriteit en betrouwbaarheid en dat appellant deze eisen zeer vele jaren met voeten heeft getreden. Door zich bij voortduring op zijn onwetendheid te beroepen heeft appellant er blijk van gegeven zich van zijn verantwoordelijkheid in dezen niet bewust te zijn. Voorzover appellant heeft gesteld dat hij niet anders opereerde dan zijn collega’s overweegt de Raad dat, wat daar ook van zij, dit appellant niet kan ontheffen van zijn eigen verantwoordelijkheid ter zake. Van de zijde van gedaagde is voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat het verlenen van hulp aan derden bij het doen van aangiften weliswaar meer voorkomt en niet snel bij gedaagde bekend wordt, maar dat in alle gevallen die bekend worden beslist wordt opgetreden. Daarmee is van een gedoogcultuur niet gebleken. Het jarenlange dienstverband van appellant tot slot, legt onvoldoende gewicht in de schaal, temeer daar, gelet op een eerdere berisping, van onbesproken gedrag geen sprake is.


6. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak kan in stand blijven voorzover deze is aangevochten. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.


Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.W. Loots als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2006.


(get.) J.Th. Wolleswinkel.


(get.) P.J.W. Loots.