Centrale Raad van Beroep, 05-01-2006 / 05-5576 APPA


ECLI:NL:CRVB:2006:AV0740

Inhoudsindicatie
APPA-uitkering wordt verminderd met FPU-uitkering voorzover het totaal van beide uitkeringen de uitkeringsbasis van de APPA-uitkering overschrijdt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-01-05
Publicatiedatum
2006-02-01
Zaaknummer
05-5576 APPA
Procedure
Hoger beroep


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

05/5576 APPA



U I T S P R A A K



in het geding tussen:


[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,


en


Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland, verweerders.



I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens eiser is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden bij de rechtbank Haarlem beroep ingesteld tegen het besluit van verweerders van 12 oktober 2004 met kenmerk 2004-30245.


Namens verweerders is een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de rechtbank van 28 juni 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.E.M. van Wessum, werkzaam bij SRK. Verweerders hebben zich daar laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Sernee, werkzaam bij de provincie Noord-Holland.


Bij uitspraak van 30 augustus 2005, met nummer Awb 04 - 1925, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard omdat haar was gebleken dat in artikel 121, tweede lid, van de Algemene pensioenwet politieke Ambtsdragers (APPA) is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep kan instellen bij de Centrale Raad van Beroep. De rechtbank heeft het beroepschrift (en de daarop betrekking hebbende stukken) op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de Raad ter verdere behandeling.


De Raad heeft vastgesteld dat hij niet op grond van het door de rechtbank genoemde artikel, maar, aangezien het beroep is ingesteld door een lid van gedeputeerde staten, ingevolge artikel 162 van de APPA de bevoegde rechter is.


De Raad heeft het beroepschrift, gelet op het bepaalde in artikel 6:15, eerste en derde lid, van de Awb, in behandeling genomen onder mededeling hiervan aan partijen.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 24 november 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.E.M. van Wessum, en waar verweerders zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Sernee en mr. P.A.J.M. Kreuwel, werkzaam bij de provincie Noord-Holland.



II. MOTIVERING


Eiser is gedurende ruim acht jaren lid van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland geweest. Ingaande 13 mei 2003 is aan hem tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar op 25 februari 2008 een recht op uitkering verleend ingevolge artikel 131, eerste lid, van de APPA.


Per 1 april 2003 heeft eiser gebruik gemaakt van de mogelijkheid van vervroegde uittreding uit zijn functie in het voortgezet onderwijs, in welke functie hij gedurende zijn lidmaatschap van gedeputeerde staten op non-activiteit zonder behoud van bezoldiging was gesteld. Vanaf deze datum ontvangt eiser een zogenoemde FPU-uitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP.


Bij het bestreden besluit van 12 oktober 2004 hebben verweerders hun beslissing gehandhaafd om vanaf 13 mei 2003 eisers FPU-uitkering in mindering te brengen op zijn APPA-uitkering voorzover het totaal van beide uitkeringen de uitkeringsbasis van de APPA-uitkering overschrijdt. Daarbij is aangegeven dat de FPU-uitkering wordt aangemerkt als inkomen uit een betrekking waarin eiser gedurende zijn zittingstijd als gedeputeerde op non-actviteit was gesteld als bedoeld in artikel 134, derde lid, aanhef en onder b, van de APPA.


Eiser kan zich met dit standpunt niet verenigen. Naar zijn mening komen, gelet op de tekst van artikel 134, tweede lid en derde lid, aanhef en onder a, van de APPA, uitsluitend voor verrekening in aanmerking: inkomsten wegens het verrichten van activiteiten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop hij heeft opgehouden lid van gedeputeerde staten te zijn, respectievelijk inkomsten wegens activiteiten die door hem ter hand zijn genomen binnen één jaar onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van aftreden, onder welke bepalingen zijn FPU-uitkering niet valt. Voorts kan zijns inziens zijn FPU-uitkering niet worden beschouwd als inkomsten genoten uit een aangehouden betrekking als bedoeld in onderdeel b van het derde lid van artikel 134 van de APPA.


De Raad overweegt het volgende.


In artikel 134, derde lid, aanhef en onder b, van de APPA is bepaald dat als inkomsten die met de uitkering van belanghebbende worden verrekend mede worden aangemerkt “de inkomsten die worden genoten uit een betrekking waarin hij gedurende zijn zittingstijd als lid van gedeputeerde staten op non-activiteit was gesteld”.


Hoewel de passage "uit een betrekking" zo zou kunnen worden opgevat dat het hierbij uitsluitend gaat om een betrekking die de belanghebbende weer uitoefent, onderschrijft de Raad deze lezing niet. Daartoe neemt de Raad in aanmerking dat de APPA-uitkering blijkens de wetsgeschiedenis voorziet in een financiële overbrugging na een aftreden uit een politieke functie, indien de belanghebbende de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en zolang nog geen voldoende (nieuwe) inkomsten zijn gevonden. Voorts neemt de Raad daartoe in aanmerking dat de aanhef van het derde lid van artikel 134 van de APPA mede verwijst naar het in het tweede lid van dit artikel genoemde begrip "belastbaar loon uit of in verband met arbeid", welk begrip ook uitkeringen omvat die zijn toegekend in verband met eerdere arbeid. In dit verband verwijst de Raad naar zijn overeenkomstige overwegingen in de uitspraak van 14 april 2005, nr. 03/5317 APPA (LJN AT4427) met betrekking tot het bepaalde in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de APPA. Dit betekent dat het bestreden besluit is gebaseerd op een juiste uitleg van artikel 134 van de APPA. Eisers beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.


In de omstandigheid dat verweerders, door aan de voet van het bestreden besluit te vermelden dat een belanghebbende beroep kan instellen bij de rechtbank Haarlem en deze rechtbank het door eiser bij haar ingestelde beroep in behandeling heeft genomen, ziet de Raad aanleiding om verweerders te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 322,- voor verleende rechtsbijstand (bijwonen van de zitting 1 punt, gewichtsfactor 1).


Voor het overige acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond;

Veroordeelt verweerders in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 322,-, te betalen door de provincie Noord-Holland.


Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter, en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2006.



(get.) C.G. Kasdorp.




(get.) E. Heemsbergen.