Centrale Raad van Beroep, 30-03-2006 / 05/2587 WUV


ECLI:NL:CRVB:2006:AW2315

Inhoudsindicatie
Weigering WUV-uitkering omdat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-03-30
Publicatiedatum
2006-04-20
Zaaknummer
05/2587 WUV
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


05/2587 WUV


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiser], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiser,


en


de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 30 december 2004, kenmerk JZ/W60/2004/0853, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dat besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift (met bijlagen) heeft eiser uiteengezet waarom hij zich met bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2006. Daar is eiser niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Eiser, geboren in 1920 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in september 1998 bij verweerster een aanvraag om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet. In dat verband heeft eiser aangegeven dat hij tijdens de Japanse bezetting als Stadswacht gevangenschap heeft ondergaan in de desa Bobali en in het kamp Teling in Manado.


Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 22 februari 1999, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 31 augustus 1999, primair op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser vervolging in de zin van artikel 2 van de Wet heeft ondergaan. Het door eiser tegen laatstgenoemde besluit ingestelde beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 12 april 2001, nummer 99/5633 WUV, ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat uit de verweerster ter beschikking staande archieven noch anderszins gegevens omtrent eiser naar voren zijn gekomen en van de gestelde internering geen bevestiging is verkregen.


In november 2003 heeft eiser zich tot verweerster gewend met het verzoek bovengenoemde besluiten te herzien, waarbij door eiser verklaringen zijn overgelegd van [J.T.] en [M. B.] respectievelijk [R. D. ] en [M. A.]. Dat verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 1 juni 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond - samengevat – dat bij het herzieningsverzoek noch tijdens de bezwaarprocedure relevante nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen, zodat geen aanleiding bestaat de eerdere besluiten te herzien.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiser in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.


Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dat brengt met zich dat de Raad de besluiten slechts met terughoudendheid kan toetsen.


Daarbij staat bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is centraal de vraag of eiser bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerster bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden de toen genomen besluiten te herzien.


Van dergelijke gegevens is de Raad, evenals verweerster, niet gebleken. Weliswaar heeft eiser getuigenverklaringen overgelegd maar deze verklaringen plaatsen de eerdere besluiten niet in een zodanig nieuw licht dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om, onder herziening van die besluiten, alsnog te aanvaarden dat eiser vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat aan de overgelegde getuigenverklaringen geen doorslaggevende betekenis kan worden gehecht, nu ter verificatie van het gestelde in die verklaringen geen (objectieve) gegevens voorhanden zijn dan wel zijn verkregen.


Eiser heeft in beroep een getuigenverklaring van 10 september 2004 overgelegd waarin is gesteld dat eiser begeleider is geweest van dominee Kelling. Met betrekking tot deze verklaring merkt de Raad op dat, daargelaten dat door een belanghebbende bij een verzoek om herziening ten laatste tijdens de bezwaarprocedure bij verweerster nieuwe gegevens kunnen worden ingediend, niet blijkt dat deze verklaring betrekking heeft op de oorlogsperiode.


Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt als volgt.


II. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.


(get.) H.R. Geerling-Brouwer.


(get.) J.P. Schieveen.