Centrale Raad van Beroep, 30-03-2006 / 05/3708 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AW2323

Inhoudsindicatie
Weigering WUBO-uitkering omdat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres getroffen is geweest door oorlogsgeweld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-03-30
Publicatiedatum
2006-04-20
Zaaknummer
05/3708 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R


05/3708 WUBO


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Onder dagtekening 31 mei 2005, kenmerk JZ/E60/2005, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Bij brief van 23 januari 2006 (met bijlagen) heeft eiseres zich nader tot de Raad gewend.


Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 februari 2006. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. MOTIVERING


Eiseres, geboren [in] 1945 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in november 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor, onder meer, een periodieke uitkering. Eiseres heeft haar aanvraag gebaseerd op gezondheids- klachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalige Nederlands-Indië.


Bij besluit van 28 januari 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen – kort gezegd – dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat eiseres getroffen is geweest door oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Als relevante oorlogservaring heeft eiseres naar voren gebracht dat zij tijdens de Bersiap-periode getuige is geweest van het oppakken en vervolgens om het leven brengen door pemoeda’s van haar vader en oom.


Op grond van de voorhanden gegevens heeft ook de Raad niet kunnen vaststellen dat eiseres tijdens de Bersiap-periode heeft blootgestaan aan oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens uit het zogeheten NEFIS-archief komt weliswaar naar voren dat de vader van eisers op 28 oktober 1945 is vermoord en de oom van eiseres – zoals de vertegenwoordiger van verweerster ter zitting nader heeft erkend – eveneens is vermoord, maar niet is gebleken van directe persoonlijke betrokkenheid van eiseres daarbij, zoals door de Wet vereist.


Naar de Raad al meermalen heeft overwogen kan een door een betrokkene gemelde gebeurtenis niet uitsluitend op grond van diens eigen verklaring als voldoende vaststaand worden aangemerkt, maar dient een dergelijke verklaring te worden ondersteund door aanvullende gegevens. Dergelijke gegevens zijn niet verkregen of overgelegd. Het gestelde door de broer van eiseres, [R. R.], tijdens de toelichting op het bezwaar, dat zij beiden aanwezig waren bij het vermoorden van de oom, kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen waarbij in aanmerking wordt genomen de zeer jonge leeftijd van de broer

(1 jaar) alsmede van eiseres zelf (enkele weken) ten tijde van de gebeurtenis.


De Raad wil aannemen dat het gemis van haar vader voor eiseres van veel invloed is geweest. Dit gemis kan evenwel niet worden begrepen onder hetgeen artikel 2 van de Wet als calamiteiten aanmerkt.


Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit derhalve geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.


Beslist wordt als volgt.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep,


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2006.


(get.) H.R. Geerling-Brouwer.


(get.) J.P. Schieveen.