Centrale Raad van Beroep, 01-06-2006 / 04-6927 AW + 04-7367 AW


ECLI:NL:CRVB:2006:AX8107

Inhoudsindicatie
Personeelsbeoordeling. Ontslag wegens ongeschiktheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-06-01
Publicatiedatum
2006-06-12
Zaaknummer
04-6927 AW + 04-7367 AW
Procedure
Hoger beroep



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

04/6927 AW + 04/7367 AW







Centrale Raad van Beroep




Meervoudige kamer



U I T S P R A A K







op de hoger beroepen van:


1. de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: Minister)

2. [betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),


tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 16 november 2004, 2003/1764 (hierna: aangevallen uitspraak),


in het geding tussen:


betrokkene


en


de Minister








Datum uitspraak: 1 juni 2006



I. PROCESVERLOOP


Namens ieder van partijen is hoger beroep ingesteld.


Voorts is namens ieder van partijen een verweerschrift ingediend.


De voorzieningenrechter van de Raad heeft bij uitspraak van 17 maart 2005, 05/1076 AW-VV, op verzoek van de Minister de aangevallen uitspraak geschorst.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2006. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. A.Y.M. Jansse, advocaat te Zeist. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.E. Nielen en drs. H.P. Barnard, beiden werkzaam bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.



II. OVERWEGINGEN


1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.1. Betrokkene, geboren in 1947, was vanaf 1 januari 1977 in dienst bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Sinds 1 mei 1988 was hij werkzaam als beleidsmedewerker bij de Directie Gehandicaptenbeleid (DGB).


1.2. Met betrekking tot het functioneren van betrokkene zijn de volgende in rechte vaststaande beoordelingen vastgesteld:

- over de periode van 26 april 1989 tot 18 december 1991: totaalscore B;

- over de periode van 1 januari 1992 tot 20 oktober 1993: totaalscore C;

- over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997: totaalscore B;

- over de periode van 3 april 2000 tot 24 november 2000: totaalscore A/B;

- over de periode van 24 november 2000 tot 19 september 2001: totaalscore A.

De gehanteerde scores staan voor:

A. onvoldoende / schoot duidelijk te kort;

B. verbeterbaar / voldeed niet geheel aan de functie-eisen;

C. goed / voldeed aan de functie-eisen.


1.3. Bij besluit van 10 juni 2002 is een beoordeling over de periode van 19 september 2001 tot 22 april 2002 vastgesteld. In deze personeelsbeoordeling is - voorzover hier van belang - voor alle vier aspecten van het algemene gezichtspunt zelfstandigheid (situaties begrijpen/doorzien, problemen oplossen; beslissingen en initiatieven nemen; eigen werk organiseren; productiviteit/rendement) een score A toegekend, voor het aspect optreden naar buiten van het algemene gezichtspunt contact een score B en voor de functie-vervulling in haar geheel de totaalscore A.


1.4. Bij besluit van 31 juli 2002 heeft de Minister betrokkene met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 september 2002 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.


1.5. Bij besluit van 6 juni 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft de Minister de bezwaren van betrokkene tegen de personeelsbeoordeling en het ontslag ongegrond verklaard.


1.6. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene met betrekking tot de personeelsbeoordeling ongegrond verklaard. Wat betreft het ontslag heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de Minister een nieuw besluit op bezwaar neemt. Tevens heeft de rechtbank bepalingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.


2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.


3. De personeelsbeoordeling.


3.1. Volgens vaste jurisprudentie (CRvB 5 november 1998, TAR 1998, 191) is de rechterlijke toetsing van de inhoud van een beoordeling beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat de beoordeling op onvoldoende gronden berust. In geval van negatieve oordelen geldt het uitgangspunt dat het betrokken bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. Daarbij is niet beslissend of elk feit ter adstructie van een waardering boven elke twijfel verheven is, en zelfs is niet van doorslaggevend belang of bepaalde feiten onjuist blijken te zijn vastgesteld of geïnterpreteerd. Het gaat erom of in het totale beeld van de in beschouwing genomen gezichtspunten de gegeven waarderingen de evenbedoelde toetsing kunnen doorstaan.


3.2. Anders dan betrokkene, is de Raad van oordeel dat de Minister ter ondersteuning van zijn onder 1.3. bedoelde negatieve waarderingen voldoende concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd. Met name kan worden gewezen op het gestelde in het primaire besluit, zoals door de direct leidinggevende ter zitting van de rechtbank en de Raad nader toegelicht. Aannemelijk is geworden dat betrokkene onvoldoende initiatief aan de dag legde en dat er structureel te weinig werk uit zijn handen kwam. Ter verontschuldiging heeft betrokkene gewezen op factoren zoals de complexiteit van het werkterrein, de samenloop van inhoudelijke en financiële problematiek, de betrokkenheid van derden, de noodzaak om draagvlak te creëren en de daarmee samenhangende traagheid van besluitvormingsprocessen, maar dergelijke omstandigheden zijn in beginsel inherent aan de functie. Niet ten onrechte heeft de Minister naar voren gebracht dat van een beleidsmedewerker op academisch niveau juist wordt verwacht dat hij hiermee weet om te gaan door de voortgang van zijn beleidsdossiers te bewaken en waar nodig initiërend en stimulerend op te treden. Uit de genoemde voorbeelden is de Raad duidelijk geworden dat betrokkene op deze punten stelselmatig te kort schoot en dat ook bij de buitenwacht kritiek bestond op het gebrek aan voortgang in zijn dossiers dat daarvan het gevolg was. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat door de jaren heen in functioneringsgesprekken en personeelsbeoordelingen - ook door eerdere leidinggevenden - steeds dezelfde punten van kritiek naar voren zijn gebracht en dat betrokkene bij herhaling blijk heeft gegeven zich deze kritiek niet te kunnen of willen aantrekken omdat zijn hart nu eenmaal meer ligt bij de buitendienst, waarin hij tot de reorganisatie van 1987/88 werkzaam was, dan bij het werk als beleidsambtenaar op het departement, waar hij toen tegen zijn zin is geplaatst.


3.3. Gezien het vorenstaande acht de Raad, met de rechtbank, de toegekende scores A op het algemene gezichtspunt zelfstandigheid niet onhoudbaar, evenmin als de score B voor optreden naar buiten. In het totale beeld van het functioneren van betrokkene als beleidsambtenaar mocht de Minister deze negatieve factoren zo zwaar laten wegen dat ook de totaalscore A niet als onhoudbaar kan worden bestempeld.


3.4. Met betrekking tot de personeelsbeoordeling komt de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking.


4. Het ontslag wegens ongeschiktheid.


4.1. Gelet op de reeks van in rechte onaantastbaar geworden negatieve beoordelingen, waartoe gelet op het vorenstaande ook de laatste beoordeling van 10 juni 2002 moet worden gerekend, staat voor de Raad voldoende vast dat bij betrokkene sprake is van ongeschiktheid voor de functie van beleidsmedewerker.


4.2. Op deze ongeschiktheid en op het dreigen van ontslag om die reden is betrokkene blijkens de stukken meerdere malen in niet mis te verstane bewoordingen gewezen. Verder is aannemelijk geworden dat hij langdurig en op genoegzame wijze is begeleid door zijn leidinggevende. Deze begeleiding is bij betrokkene echter onvoldoende aangeslagen en van andere instrumenten om tot verbetering te komen heeft hij geen gebruik willen maken, omdat hij meende reeds over voldoende capaciteiten te beschikken. Betrokkene heeft kennelijk zijn positie te rooskleurig ingeschat, hetgeen voor zijn risico moet worden gelaten.


4.3. Niet is gebleken dat de Minister op grond van enig algemeen verbindend voorschrift gehouden was een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheid om betrokkene te herplaatsen. Gelet op de aard van de ongeschiktheid en de houding die betrokkene dienaangaande ten toon spreidde, kon de Minister zich ook in alle redelijkheid op het standpunt stellen dat plaatsing elders op het departement niet tot de mogelijkheden behoorde. Wat betreft een functie buiten het departement overweegt de Raad, anders dan de rechtbank, dat blijkens de overgelegde beoordelingen en de verdere gedingstukken reeds in de jaren negentig sprake was van disfunctioneren - zij het afgewisseld door perioden van verbetering - en de Minister met het oog daarop reeds in 1996/97 inspanningen heeft verricht om te komen tot outplacement. In de personeelsbeoordeling over die periode is aangegeven dat dit traject op verzoek van betrokkene is stopgezet. Voorts is genoegzaam gebleken dat in de tijd voorafgaande aan het ontslag opnieuw diverse mogelijkheden voor een baan buiten het departement zijn onderzocht, dat daartoe van de zijde van het ministerie contacten zijn gelegd en (financiële) faciliteiten zijn aangeboden, alsmede dat betrokkene ook daadwerkelijk een aantal vervolggesprekken heeft gevoerd. Betrokkene heeft de bedoelde activiteiten van de Minister ter zitting niet ontkend, doch deze gekarakteriseerd als "losse flodders en slagen in de lucht". Gelet op hetgeen terzake naar voren is gekomen, miskent betrokkene daarmee dat het primair zijn eigen verantwoordelijkheid was om deze contacten tot een goed einde te brengen en zo nodig zijn rechtspositionele eisen aan te passen aan de situatie waarin hij was komen te verkeren. Al aangenomen dat de Minister onder de gegeven omstandigheden - waaronder de lange duur van het dienstverband - uit een oogpunt van zorgvuldigheid verplicht was de mogelijkheid van plaatsing buiten het departement te beproeven, moet worden geoordeeld dat aan die verplichting ruimschoots is voldaan, zodat deze ten tijde van het laatste beoordelingsgesprek op 22 april 2002 niet meer aan beëindiging van het dienstverband in de weg stond. De Raad deelt derhalve niet het oordeel van de rechtbank dat na dit gesprek, waarin het in gang zetten van de ontslagprocedure is aangekondigd, nog herplaatsingsinspanningen hadden behoren plaats te vinden.


4.4. Het hoger beroep van de Minister treft doel en het bestreden besluit houdt ook wat betreft het ontslag in rechte stand. In zoverre zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd en het beroep van betrokkene alsnog ongegrond worden verklaard.


5. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep inzake de personeelsbeoordeling ongegrond is verklaard;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep inzake het ontslag ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van O.C. Boute als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.



(get.) J.Th. Wolleswinkel.




(get.) O.C. Boute.



HD

05.05