Centrale Raad van Beroep, 03-08-2006 / 06-783 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2006:AY5945

Inhoudsindicatie
Afwijzing vergoeding kosten reis naar Indonesië. Geen strikte medische noodzaak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2006-08-03
Publicatiedatum
2006-08-09
Zaaknummer
06-783 WUBO
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

06/783 WUBO


Centrale Raad van Beroep


Enkelvoudige kamer


U I T S P R A A K


in het geding tussen:


[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),


en


de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)


Datum uitspraak: 3 augustus 2006

I. PROCESVERLOOP


Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 19 januari 2006, kenmerk JZ/A70/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).


Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2006. Daar is appellant in persoon verschenen, bij gestaan door zijn partner. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.


II. OVERWEGINGEN


Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet.


In juni 2005 heeft appellant bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van een vergoeding ter zake van de kosten verbonden aan een reis naar Indonesië. Appellant heeft in dat verband aangegeven dat hij die reis wenst te maken in verband met het bezoeken van het graf van zijn moeder.


Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 26 september 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de - aan medische adviezen ontleende - grond dat de reis niet plaatsvindt ter afronding van een psychotherapeutische of psychiatrische behandeling.


De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.


Gezien de aard van de gevraagde voorziening acht verweerster een vergoeding op grond van artikel 32 van de Wet slechts mogelijk indien voor de reis een strikt medische noodzaak aanwezig is. Een dergelijke noodzaak acht verweerster aanwezig indien wordt voldaan aan richtlijnen die zij hanteert ten aanzien van therapeutische reizen, te weten;

a. er is sprake van onverwerkt verdriet, onverwerkte rouw en/of gevoelens van machteloosheid en vernedering die het leven ziekelijk beïnvloeden, en

b. het bezoek dient als (hiërarchisch) eindpunt van een therapeutisch behandelproces, en

c. er is voorafgaande aan de reis een behandelplan, en

d. na afloop van de reis vindt een evaluatie plaats.


De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerster, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in zijn algemeenheid niet onjuist of onredelijk te achten.


Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat niet is gesteld noch is gebleken dat appellant ten tijde hier van belang vanwege zijn psychische klachten onder behandeling was, zodat om die reden al geen sprake is van een reis die plaatsvindt in het kader van een psychotherapeutische behandeling.


Naar het oordeel van de Raad is dan ook niet voldaan aan de voor de toekenning van de gevraagde voorziening door verweerster gestelde vereisten. Verweerster heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd appellant ingevolge de Wet een vergoeding van de onderwerpelijke reis te verlenen.


De tijdens het onderzoek ter zitting door appellant gedane mededeling dat hij sedert februari 2006 wederom onder behandeling is vanwege zijn psychische klachten, ziet op een na het bestreden besluit ingetreden nieuwe ontwikkeling en kan om die reden niet bij de beoordeling worden betrokken. Het staat appellant vrij om terzake bij verweerster een nieuwe aanvraag in te dienen.


Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.


De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.


III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;


Recht doende:


Verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2006.


(get.) H.R. Geerling-Brouwer.


(get.) J.P. Schieveen.